ECLI:NL:RBDHA:2025:14464

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juli 2025
Publicatiedatum
5 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.20929
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • O. El Kadi
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 EU-HandvestArt. 12, vierde lid, DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArtikel 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk op grond van Dublinverordening

Eiser diende op 24 december 2024 een asielaanvraag in Nederland in, maar de minister nam deze niet in behandeling omdat Frankrijk verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening. Nederland vroeg Frankrijk om overname, welke op 25 maart 2025 werd aanvaard.

Eiser betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet kon worden toegepast vanwege institutioneel racisme en inadequate bescherming in Frankrijk, onderbouwd met rapporten van Human Rights Watch, Amnesty International en het AIDA-rapport. De rechtbank oordeelde echter dat de minister terecht uitging van het vermoeden dat Frankrijk haar verdragsverplichtingen nakomt en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er een reëel risico op onmenselijke behandeling bestaat.

Ook het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening, dat bijzondere individuele omstandigheden vereist om de aanvraag in Nederland te behandelen, werd verworpen omdat eiser geen bijzondere omstandigheden aannemelijk had gemaakt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20929

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2025 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. T. Volckmann),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag. Eiser is het met dit besluit niet eens en betoogt dat de minister ten aanzien van Frankrijk niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, en dat de minister de aanvraag van eiser op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich had moeten trekken.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen in stand kan blijven. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Inleiding

2. Met het bestreden besluit van 6 mei 2025 heeft de minister de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.
2.1.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling

3. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de aanvraag. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Toetsingskader
3.1.
De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] Bij de beoordeling welke lidstaat op grond van de toepasselijke criteria verantwoordelijk is voor behandeling van een door een vreemdeling bij een van de lidstaten ingediend asielverzoek, moet de minister uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van een vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. [2] Dat vermoeden is weerlegbaar.
Totstandkoming van het besluit
3.2.
Eiser heeft op 24 december 2024 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Nederland heeft vervolgens bij Frankrijk een verzoek om overname gedaan. [3] Frankrijk heeft dit verzoek op 25 maart 2025 aanvaard.
Kan de minister ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan?
4. Eiser betoogt dat de minister ten aanzien van Frankrijk niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Eiser heeft in Frankrijk problemen ondervonden en stelt dat hij vanwege institutioneel racisme niet veilig was. Eiser verwijst in dit kader naar informatie van Human Rights Watch met betrekking tot institutioneel racisme bij de politie. [4] Eiser stelt dat in het geval van Afrikaanse mannen objectief is vastgesteld dat sprake is van etnische profilering, en dat Afrikaanse vrouwen ten gevolge van hun aangifte al vermalen worden tussen de racistische molenstenen van het politieapparaat, laat staan Afrikaanse mannen. Eiser betoogt dat uit het artikel geconcludeerd kan worden dat de Franse procedures niet voldoen aan de door het EHRM [5] gestelde voorwaarden en dat sprake is van inadequate protectie tegen inbreuken zoals genoemd in artikel 3 van Pro het EVRM. Eiser stelt als ongedocumenteerde slachtoffer te zullen worden van institutioneel racisme. [6] Eiser vindt dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij geen aangifte van de ondervonden problemen heeft gedaan. Uit de bevindingen van Amnesty International kan worden opgemaakt dat, indien eiser aangifte zou hebben gedaan van (een poging tot) uitbuiting, alsmede diefstal/verduistering van zijn paspoort, hij het risico zou lopen op een onmenselijke en vernederende behandeling of zelfs een vreemdelingenbewaring. [7] Eiser wijst daarnaast op het meest recente AIDA rapport over Frankrijk van 11 juni 2025 (update 2024) [8] en op een artikel waarin melding wordt gemaakt van razzia’s in Frankrijk ten aanzien van ongedocumenteerden. [9]
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister er terecht op heeft gewezen dat als algemeen uitgangspunt geldt dat Frankrijk haar verdragsverplichtingen nakomt. De minister kan alleen tot de conclusie komen dat een lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt als de vreemdeling in de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het EU Handvest en artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. Bij deze beoordeling is het arrest Jawo van belang. [10] Hierin zijn de criteria beschreven waarmee lidstaten kunnen beoordelen of tekortkomingen onder artikel 4 van Pro het EU Handvest vallen. [11] Hiervoor moeten de tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Het beroep van eiser op het meest recente AIDA rapport (update 2024) wijst daar niet op, nu pagina 75 waar eiser naar verwijst identiek is aan pagina 74 van het vorige AIDA rapport (update 2023). De rechtbank overweegt dat de Afdeling op 30 augustus 2024 een uitspraak [12] heeft gedaan over dit AIDA-rapport (update 2023). Alhoewel kan worden aangenomen dat sprake was van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in Frankrijk [13] , is niet gebleken dat die problemen dermate structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest of artikel 3 van Pro het EVRM. De rechtbank acht daarbij relevant dat de Afdeling reeds heeft geoordeeld [14] dat het AIDA rapport over Frankrijk (update 2023) geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Frankrijk voor Dublinclaimanten dan uit de landeninformatie volgt die al bij de uitspraak van 2 mei 2024 is betrokken. [15]
4.1.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid is bereikt of dat sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure in Frankrijk. Dat eiser vreest voor institutioneel racisme en razzia’s is niet voldoende om te betogen dat ten aanzien van Frankrijk niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daarbij wordt overwogen dat een vreemdeling zich bij voorkomende problemen kan wenden tot de autoriteiten van Frankrijk of de daarvoor geschikte instanties van Frankrijk. Eiser heeft verklaard [16] dat hij geen aangifte heeft gedaan van de vervelende dingen die hij in Frankrijk stelt meegemaakt te hebben, omdat hij bang was voor de gevolgen en niemand kende in Frankrijk. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft gesteld dat eiser hierdoor niet uit persoonlijke ervaring kan vertellen dat het doen van aangifte geen effect heeft en dat in Frankrijk dus geen adequate rechtsbescherming of effectief rechtsmiddel bestaat. Ook de verwijzing van eiser naar het artikel van Amnesty International schets geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Frankrijk dan die de Afdeling al heeft betrokken bij haar uitspraken. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de autoriteiten van Frankrijk eiser niet kunnen of willen helpen. Daarnaast wordt ten aanzien van eisers verwijzing naar het artikel van Human Rights Watch van 11 april 2024 door de rechtbank overwogen dat de minister terecht stelt dat eiser niet nader uiteen heeft gezet hoe de door hem aangehaalde informatie zich verhoudt tot zijn persoonlijke situatie. Eiser heeft zelf namelijk geen asielaanvraag in Frankrijk ingediend en heeft dus geen ervaringen met de opvangvoorzieningen en asielprocedure. Dit geldt ook voor de artikelen die eiser in de procedure heeft gebracht waaruit blijkt dat sprake is van razzia’s ten aanzien van ongedocumenteerden. Eiser maakt niet duidelijk waarom de situatie van Dublinterugkeerders, zoals hijzelf, op één lijn moet worden gesteld met ongedocumenteerden. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat sprake is van. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser daarin niet is geslaagd. De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de autoriteiten in Frankrijk met het claimakkoord hebben gegarandeerd dat het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling wordt genomen met inachtneming van de Europese regelgeving. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister de asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening in behandeling moeten nemen?
5. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening in behandeling had moeten nemen. Eiser wijst in dit verband op het risico dat hij als ongedocumenteerde te maken krijgt institutioneel racisme. De minister moet volgens eiser kenbaar onderzoeken of sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die meebrengen dat een mogelijk overdracht van eiser aan Frankrijk van onevenredige hardheid zou getuigen.
5.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding wordt gezien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, Dublinverordening of om nader onderzoek te doen naar de situatie in Frankrijk. Eiser heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzonder, individuele omstandigheden. Gelet op het claimakkoord wordt eiser opgenomen in de Franse asielprocedure en is hij ook niet (meer) ongedocumenteerd. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en geen vergoeding krijgt van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. El Kadi, rechter, in aanwezigheid van J. Poutsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.HvJEU arrest Jawo 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, punten 80 en 81.
3.Op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening.
4.Human Rights Watch, van 11 april 2024: “France: Groups Seek UN Intervention to Address Racial Profiling”,
5.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
6.Euronews, van 28 mei 2025: Racial profiling still rife across the EU,
7.Amnesty International 18 september 2024: “Violences sexuelles l’épreuve des femmes migrantes, transgenres et travailleuses du sexe qui portent plainte en France”, gepubliceerd op
8.AIDA rapport over Frankrijk, van 11 juni 2025 (update 2024), pagina 75.
9.Le Monde, 20 juni 2025: French police launch nationwide crackdown on undocumented migrants.
10.HvJEU arrest Jawo, 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, punten 80 en 81.
11.HvJEU arrest Jawo, 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, punten 91-93.
12.ABRvS van 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552.
13.ABRvS van 9 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3737.
14.ABRvS van 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552.
15.ABRvS van 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552 en van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1863.
16.Aanmeldgehoor, pagina 5.