ECLI:NL:RBDHA:2025:13680

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juli 2025
Publicatiedatum
25 juli 2025
Zaaknummer
NL25.24551
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging overdrachtstermijn in asielzaak wegens vermeend onderduiken

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 25 juli 2025 uitspraak gedaan in een asielzaak waarbij de eiseres, vertegenwoordigd door haar gemachtigde mr. H. Postma, in beroep ging tegen een besluit van de Minister van Asiel en Migratie, vertegenwoordigd door mr. R.M. Koning. De minister had op 26 mei 2025 de overdrachtstermijn op grond van de Dublinverordening verlengd tot 18 maanden, omdat eiseres volgens de minister onderdook. Eiseres heeft echter betoogd dat zij niet de bedoeling had om zich aan de autoriteiten te onttrekken en dat zij om gezondheidsredenen tijdelijk bij een vriendin verbleef. De rechtbank heeft op 22 juli 2025 de zaak behandeld en is tot de conclusie gekomen dat de minister de verlenging van de overdrachtstermijn ten onrechte had toegepast. De rechtbank oordeelde dat eiseres aannemelijk had gemaakt dat zij niet doelbewust buiten het bereik van de autoriteiten was gebleven. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister veroordeeld tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24551

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. H. Postma),
en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Inleiding

1. Bij besluit van 26 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de overdrachtstermijn op grond van de Dublinverordening verlengd tot 18 maanden.
1.1.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2025 op zitting behandeld. [1] Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek ter zitting is gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de minister de overdrachtstermijn op goede gronden heeft kunnen verlengen. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar gaat deze zaak over?
4. Eiseres heeft op 6 januari 2025 een asielaanvraag gedaan in Nederland. Deze aanvraag is niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Op 6 maart 2025 heeft Zwitserland laten weten deze verantwoordelijkheid te accepteren. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening dient eiseres binnen zes maanden overgedragen te worden aan Zwitserland, in dit geval uiterlijk op 6 september 2025. Op 21 mei 2025 is in het systeem van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) opgenomen dat eiseres met onbekende bestemming (mob) is vertrokken. Op 26 mei 2025 heeft de minister de overdrachtstermijn overeenkomstig artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening verlengd vanwege onderduiken.
Wat vindt eiseres
5. Eiseres is het niet eens met de verlenging van de overdrachtstermijn. Zij stelt dat ze gelet op haar gezondheid niet in het COa kon verblijven. Ze is dan ook naar een vriendin gegaan waar zij tijdelijk kon blijven. Er was nog geen sprake van een aanstaande overdracht. Eiseres is dan ook niet doelbewust buiten bereik van de nationale autoriteiten gebleven om de uitvoering van de overdracht te voorkomen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank geeft eiseres gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
6.1.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in uitspraken van 14 december 2022 [2] en van 17 juli 2024 [3] onder verwijzing naar het arrest Jawo [4] toegelicht wanneer sprake is van onderduiken in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Voor onderduiken is vereist dat een vreemdeling doelbewust buiten het bereik van de autoriteiten blijft. Daarnaast heeft de Afdeling overwogen dat uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat artikel 29, tweede lid van de Dublinverordening zo uitgelegd moet worden dat de minister er - als de overdracht niet kan worden uitgevoerd omdat de betrokken vreemdeling zijn toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de autoriteiten daarvan op de hoogte te brengen - van mag uitgaan dat hij de bedoeling had onder te duiken om de overdracht te voorkomen, op voorwaarde dat hij zich bewust was van zijn verplichtingen. Het is vervolgens aan de betrokken vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij een dergelijke bedoeling niet had. [5]
6.2.
De gemachtigde van de minister heeft ter zitting toegelicht dat van onderduiken is uitgegaan omdat eiseres buiten het bereik van de autoriteiten is gebleven door geen verblijfplaats door te geven en zij ook geen verschoonbare reden had voor het niet doorgeven van haar verblijfsplaats. Dat zij haar verblijfplaats nu wel wil doorgeven maakt het volgens de minister niet anders nu de termijn al is verlengd. Het nu alsnog doorgeven van haar verblijfplaats is te laat.
6.3. De rechtbank is van oordeel dat eiseres erin is geslaagd om het vermoeden dat zij met onbekende bestemming is vertrokken, met de bedoeling om de overdracht te voorkomen, heeft weerlegd. Er was op 21 mei 2025, de datum van de mob-melding, nog geen concrete overdrachtsdatum aan Zwitserland bekend. Ook is niet gebleken dat er op dat moment al een vertrekgesprek met eiseres was gepland. Er waren nog geen verplichtingen voor eiseres met betrekking tot de overdracht, zij had geen enkele reden om onder te duiken. Ter zitting heeft eiseres aangegeven dat ze haar adresgegevens zal doorgeven zodat zij bereikbaar is voor stappen bij een eventuele toekomstige overdracht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet de bedoeling had om zich te onttrekken aan de autoriteiten met de bedoeling de overdracht te voorkomen.

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de overdrachtstermijn ten onrechte verlengd. Daarmee is het beroep gegrond en zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen. Dat betekent dat de uiterste overdrachtsdatum op 6 september 2025 zal verstrijken.
8. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 26 mei 2025;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Samen met de zaken NL25.19184 en NL25.19185.
4.Zie de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:C:EU:2019:218.