Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
verwijzingsuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
de Minister van Asiel en Migratie,
Verzoek voeging op grond van artikel 54 van Pro het Reglement voor de procesvoering
Procesverloop
Overwegingen
- van 1990 tot 1997 is verzoeker afdelingshoofd van de ‘Al Bahth Al Janai’, oftwel de ‘Criminal Investigative Department’ (CID) geweest in de provincie Abyan;
- van 1997 tot 1999 is verzoeker afdelingshoofd van de CID geweest in de provincie Al-Bayda;
- van 1999 tot 2004 is verzoeker commandant geweest van de politiemacht die verantwoordelijk was voor de veiligheid in de zogenoemde ‘Aden Free Zone’(AFZ), een groot gebied in en rond de haven van Aden;
- van 2004 tot 2007 heeft verzoeker leiding gegeven aan een politie-eenheid die de veiligheid van gebouwen en locaties in de provincie Aden moest garanderen;
- van 2007 tot 2012 is verzoeker achtereenvolgens directeur van de vijfde veiligheidsregio (Al-Mansoura district) en de zevende veiligheidsregio (Dar-Saad district) in de stad Aden geweest en is uit dien hoofde verantwoordelijk voor het functioneren van de politie in die regio’s geweest;
- van 2012 tot 2013 is betrokkene onderdirecteur voor de veiligheid van de
- gehele provincie Aden geweest;
- van 2013 tot 2015 heeft verzoeker in de provincie Sana’a de functie van ‘directeur controle en inspectie van het veiligheidsapparaat’ vervuld;
- van 2015 tot 2021 is verzoeker hoofd van de afdeling training en competenties van de politie van Jemen geweest. Verzoeker heeft deze functie aangeduid als ‘onderminister van Binnenlandse Zaken’.
.
de uitvoering van een terugkeerbesluit door de autoriteitenleidt tot blootstelling aan een reëel risico van een behandeling in strijd met artikel 18 of Pro artikel 19, lid 2, van het Handvest. De rechtbank vraagt zich dan ook af of artikel 9, eerste lid onder a, van richtlijn 2008/115 moet worden beschouwd als de uitwerking van de algemene regel die in artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115 is neergelegd. Doordat de lidstaten verplicht zijn om de verwijdering uit te stellen in geval deze in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement, lijkt de eerbiediging van beginsel van non-refoulement immers te allen tijde en ten volle te worden gewaarborgd. De Uniewetgever heeft uitdrukkelijk geregeld in welke situatie de lidstaat geen verplichting heeft om een terugkeerbesluit uit te vaardigen. De Uniewetgever heeft ook uitdrukkelijk geregeld wanneer de lidstaat de tenuitvoerlegging van de terugkeerverplichting door de autoriteiten moet uitstellen. De rechtbank leidt uit deze uitdrukkelijke regelingen af dat deze uitputtend bedoeld zijn en dat met dit gesloten systeem op deze wijze wordt beoogd om een doeltreffend verwijderings‑ en terugkeerbeleid te ontwikkelen, wat immers het hoofddoel van richtlijn 2008/115 is. De rechtbank merkt in dit verband op dat de Uniewetgever niet expliciet heeft bepaald dat het niet kunnen verwijderen, meebrengt dat er geen terugkeerbesluit mag worden opgelegd en de illegaal verblijvende derdelander dus geen terugkeerverplichting heeft ondanks dat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot, dan wel verblijf of vestiging in de lidstaat waar hij verblijft. Ook heeft de Uniewetgever niet voorzien in een regeling inhoudende dat het moeten uitstellen van de verwijdering na ommekomst van een zekere periode gevolgd moet worden door het intrekken van een terugkeerbesluit incluis de terugkeerverplichting voor de illegaal verblijvende derdelander. Het gebruik van de bewoordingen “uitstel van de verwijdering” impliceert bovendien dat de plicht om tot verwijdering over te gaan indien de derdelander niet vrijwillig terugkeert, blijft bestaan. Het moeten uitstellen van de verwijdering is immers zinledig als de plicht om tot verwijdering over te gaan niet ontstaat of niet bestaat. Uit de bewoordingen van artikel 9, eerste lid onder a, van richtlijn 2008/115 kan, naar het oordeel van de rechtbank, niet worden afgeleid dat de Uniewetgever heeft beoogd dat, in aanvulling op de uitzonderingen genoemd in artikel 6 van Pro richtlijn 2008/115, ook geen plicht bestaat om een terugkeerbesluit uit te vaardigen indien de verwijdering moet worden uitgesteld, dan wel dat een reeds uitgevaardigd terugkeerbesluit in die situatie moet worden ingetrokken. De Uniewetgever heeft daarentegen nu juist uitdrukkelijk geregeld dat -uitsluitend- de verwijdering moet worden uitgesteld.
énaan de verwijdering. Deze belangen hebben dan betrekking op een hoedanigheid die is verbonden met de persoon van de betrokken derdelander. Indien een dergelijk belang in de weg staat aan de verwijdering door de autoriteiten naar het land van bestemming, zal dit niet zelden ook in de weg staan aan het voldoen aan de verplichting van de derdelander om naar enig ander derde land te vertrekken. Het refoulementbeginsel kan ook verband houden met de hoedanigheid van de persoon van de betrokken derdelander, maar hangt in ieder geval altijd samen met de situatie in het land van bestemming. Dit betekent niet zonder meer dat het refoulementrisico ook zal worden aangenomen ten aanzien van andere derde landen en het staat dan ook niet zonder meer in de weg aan vertrek naar andere derde landen. Waar de in artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115 genoemde belangen in de weg staan aan vrijwillig vertrek uit de lidstaat en terugkeer naar elk derde land, staat het refoulementbeginsel veeleer uitsluitend in de weg aan verwijdering naar het land van herkomst (of ander derde land dat als land van bestemming is aangemerkt).
niettevens in de weg staan aan het vrijwillig of zelfstandig kunnen voldoen aan de terugkeerplicht door de derdelander, er
wéleen terugkeerbesluit kan en moet worden vastgesteld en daarmee voor de illegaal verblijvende derdelander een terugkeerverplichting ontstaat, terwijl de lidstaat de tenuitvoerlegging van de terugkeerverplichting moet uitstellen en dit schriftelijk moet bevestigen aan de betreffende derdelander. Doordat de Uniewetgever uitdrukkelijk heeft bepaald dat de verwijdering moet worden uitgesteld indien de verwijdering in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement, wordt het absolute verbod op refoulement ten volle nageleefd, terwijl de lidstaat ook voldoet aan haar verplichting ingevolge richtlijn 2008/115 om door middel van het nemen van een terugkeerbesluit het onrechtmatige verblijf vast te stellen en de illegaal verblijvende derdelander te verplichten om het grondgebied van de Unie te verlaten.
Beslissing
- verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de hierboven onder rechtsoverweging 66 geformuleerde vraag;
- schorst de behandeling van het beroep in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vraag door het Hof van Justitie van de Europese Unie en houdt iedere verdere beslissing aan.