Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
verwijzingsuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], geboren op [geboortedatum] 1965 in China,
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
énaan het zelfstandig voldoen aan de terugkeerverplichting door de derdelander door naar een derde land te vertrekken in de weg staan, geen terugkeerbesluit mag worden genomen of een reeds genomen terugkeerbesluit moet worden ingetrokken dan wel moet worden geschorst. De rechtbank heeft voorts gemeend dat de eveneens in artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn genoemde plicht om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen, ten volle wordt gewaarborgd door de plicht voor de lidstaten om de verwijdering uit te stellen indien deze niet kan plaatsvinden vanwege het beginsel van non-refoulement en dat ook in dit geval de terugkeerverplichting voor de derdelander blijft bestaan. Het Hof heeft echter op 6 juli 2023 onder meer arrest gewezen in de zaak Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl tegen A.A. en daarin voor recht verklaard dat “
artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de vaststelling van een terugkeerbesluit jegens een derdelander wanneer vaststaat dat zijn verwijdering naar het beoogde land van bestemming voor onbepaalde tijd is uitgesloten op grond van het beginsel van non-refoulement.”.
Juridisch kader en rechtsvragen
hierdoorook niet langer een terugkeerverplichting op de illegaal verblijvende derdelander rust.
énkan de minderjarige illegaal verblijvende derdelander niet zelf voldoen aan de terugkeerverplichting. De lidstaat dient dit na te gaan alvorens een terugkeerbesluit wordt opgelegd om indachtig de in artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn neergelegde verplichting bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening te houden met het belang van het kind.
énX kon niet zelf voldoen aan de terugkeerverplichting.
niettevens in de weg staan aan het niet vrijwillig of zelfstandig kunnen voldoen aan de terugkeerplicht door de derdelander, er
wéleen terugkeerbesluit kan en moet worden vastgesteld en daarmee voor de illegaal verblijvende derdelander een terugkeerverplichting ontstaat, terwijl de lidstaat de tenuitvoerlegging van de terugkeerverplichting moet uitstellen. Doordat de Uniewetgever uitdrukkelijk heeft bepaald dat de verwijdering moet worden uitgesteld indien de verwijdering in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement, wordt het absolute verbod op refoulement ten volle nageleefd, terwijl de lidstaat ook voldoet aan haar verplichting ingevolge de Terugkeerrichtlijn om door middel van het nemen van een terugkeerbesluit het onrechtmatige verblijf vast te stellen en de illegaal verblijvende derdelander te verplichten om het grondgebied van de Unie te verlaten.
vaststaan” dat de verwijdering voor “
onbepaalde tijd” is “
uitgesloten” doorslaggevend heeft geacht voor de uitleg van artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn, komt ook de vraag op of het denkbaar is dat op het moment dat wordt beoordeeld of een terugkeerbesluit moet worden genomen, kan worden vastgesteld dat een refoulementsrisico slechts “bepaalde tijd” aan de orde is. Het “vaststellen” of er beletselen zijn die in de weg staan aan het nemen van een terugkeerbesluit zal daarbij overigens ook steeds een momentopname zijn. Omstandigheden die ten tijde van het nemen van een terugkeerbesluit aan de verwijdering in de weg staan kunnen immers wijzigen, en zeker indien deze omstandigheden verband houden met de situatie in het land van bestemming. De vaststelling dat de verwijdering voor onbepaalde tijd is uitgesloten, behelst dan ook, naar het oordeel van de rechtbank, de beoordeling van de vraag of zich een risico verwezenlijkt indien op het moment van oplegging van het terugkeerbesluit tot verwijdering zou worden overgegaan. Wellicht heeft het Hof bedoeld dat indien op het moment dat het terugkeerbesluit wordt genomen reeds duidelijk is dat de verwijdering niet zal kunnen plaatsvinden als de illegaal verblijvende derdelander niet vrijwillig aan zijn terugkeerverplichting voldoet, er geen terugkeerbesluit mag worden genomen en daarom aan de verplichting om de verwijdering uit te stellen niet wordt toegekomen. In dat geval rijst echter de vraag hoe deze uitleg zich verhoudt met de vaststelling dat de Uniewetgever dit niet uitdrukkelijk heeft geregeld. De in artikel 9, eerste lid onder a, van de Terugkeerrichtlijn neergelegde verplichting om de verwijdering uit te stellen indien deze in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement, veronderstelt weliswaar dat er reeds een terugkeerbesluit is genomen en dus reeds een terugkeerverplichting bestaat. Niet valt echter in te zien waarom de uitzondering op het uitgangspunt dat de lidstaten een terugkeerbesluit uitvaardigen, niet is opgenomen in artikel 6 van Pro de Terugkeerrichtlijn, in welke bepaling immers in de leden 2 tot en 5 uitdrukkelijk uitzonderingen op dit uitgangspunt zijn opgenomen. Indien de eerbiediging van het non-refoulementbeginsel inhoudt dat in de situatie dat het refoulementrisico niet tot bescherming en de verlening van een verblijfstitel leidt, het refoulementrisico desondanks in de weg staat aan het opleggen van een terugkeerbesluit, had het voor de hand gelegen om dit expliciet op te nemen in de Terugkeerrichtlijn. Het verbod om alsdan een terugkeerbesluit op te leggen, is dan, in de uitzonderlijke situatie dat het refoulementrisico niet tot bescherming en dus een verblijfstitel leidt, een uitzondering op de verplichting om een terugkeerbesluit uit te vaardigen Het verbod op refoulement is weliswaar absoluut, maar het niet verwijderen is gewaarborgd door artikel 9, eerste lid onder a, van de Terugkeerrichtlijn. Dat ondanks deze waarborg het refoulementrisico een uitzondering op de verplichting om een terugkeerbesluit uit te vaardigen met zich brengt, zou dan indien de Uniewetgever dit had beoogd, zijn opgenomen in de Terugkeerrichtlijn. Dit heeft de Uniewetgever niet gedaan, zodat de rechtbank twijfelt over de reikwijdte van de verklaring voor recht die het Hof in haar arrest van 6 juli 2023 in de zaak Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl tegen A.A. heeft gegeven. Indien de eerbiediging van het refoulementrisico is gewaarborgd door artikel 9, eerste lid onder a, van de Terugkeerrichtlijn en de Uniewetgever niet in artikelen 5 ,6 en 8 heeft geregeld dat er geen vaststelling van een terugkeerbesluit kan plaatsvinden, wanneer vaststaat dat de verwijdering naar het beoogde land van bestemming voor onbepaalde tijd is uitgesloten op grond van het beginsel van non-refoulement, rijst de vraag of dit gevolgen heeft voor andere situaties waarin de verwijdering naar het land van bestemming voor onbepaalde tijd niet kan plaatsvinden.
altijdals de verwijdering niet plaats kan vinden, het terugkeerbesluit niet kan worden opgelegd en hieruit zou volgen dat een reeds opgelegd terugkeerbesluit
altijdmoet worden ingetrokken als de verwijdering is uitgesloten, heeft het arrest in de zaak Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl tegen A.A. van 6 juli 2023 aanzienlijke gevolgen voor de lidstaten. Dit zou namelijk betekenen dat steeds indien de lidstaat er niet in slaagt de illegaal verblijvende derdelander te verwijderen, ook de terugkeerverplichting komt te vervallen. Indien een derdelander niet voor toelating en verblijf in aanmerking komt, ontstaat immers pas door de oplegging van een terugkeerbesluit een terugkeerverplichting.
Conclusie en prejudiciële vragen
enin de weg staan aan het aan de terugkeerverplichting kunnen voldoen door de illegaal verblijvende vreemdeling, er geen terugkeerbesluit mag worden opgelegd of een reeds opgelegd terugkeerbesluit niet onverkort mag worden gehandhaafd. Die omstandigheden die aan verwijdering in de weg staan houden dan verband met de persoon van de derdelander en staan aan elk vertrek van het grondgebied van de lidstaat in de weg. De rechtbank heeft dit afgeleid uit het arrest TQ van 14 januari 2021 waar de derdelander minderjarig was en uit het arrest X van 22 november 2022 waar de derdelander ernstig ziek was en in de lidstaat een behandeling met medicinale cannabis ter bestrijding van de pijn onderging die in zijn land van herkomst niet is toegestaan en dus niet toegankelijk is.
Beslissing
- verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de hierboven onder rechtsoverweging 105 geformuleerde vragen;
- schorst de behandeling van het beroep in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie en houdt iedere verdere beslissing aan.
mr.M.M.M.F. Roijen, griffier.