ECLI:NL:RBDHA:2025:10572
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
De eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, verbleef sinds januari 2025 in detentie op grond van een maatregel van bewaring volgens de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat het zicht op zijn uitzetting binnen een redelijke termijn ontbrak en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde, waardoor zijn belangen prevaleerden boven het algemeen belang.
De rechtbank oordeelde dat het zicht op uitzetting niet was verdwenen, mede omdat de lp-aanvraag tijdig was verzonden aan de Marokkaanse autoriteiten en er geen aanwijzingen waren dat deze niet binnen afzienbare tijd zouden reageren. Tevens werd vastgesteld dat eiser onvoldoende meewerkte aan zijn uitzetting, onder meer door het niet overleggen van zijn originele paspoort.
Verder concludeerde de rechtbank dat verweerder voldoende voortvarend handelde, zoals blijkt uit rappelleringen en vertrekgesprekken. Er waren geen nieuwe omstandigheden die de bewaring onredelijk bezwarend maakten. Het belang van voortzetting van de maatregel woog zwaarder dan het belang van invrijheidsstelling.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.