ECLI:NL:RBDHA:2025:1029
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum verblijfsvergunning asiel en bevoegdheid aanvullend besluit
Eiser, van Sri Lankaanse nationaliteit, diende op 8 juni 2022 een opvolgende aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister kende deze vergunning toe met ingang van 8 juni 2022. Eiser verzocht tevens om heroverweging van een besluit uit 2014, dat werd afgewezen bij een aanvullend besluit van 30 september 2024.
Eiser stelde dat het aanvullend besluit onbevoegd was genomen omdat de bevoegdheid sinds 2 juli 2024 bij de minister ligt en niet bij de staatssecretaris. De rechtbank constateerde dit gebrek, maar paste artikel 6:22 Awb Pro toe om het gebrek te passeren, omdat het besluit inhoudelijk niet was beïnvloed en eiser niet in zijn belangen was geschaad.
Verder voerde eiser aan dat zijn politieke activiteiten al in eerdere asielaanvragen waren genoemd, waardoor de ingangsdatum van de vergunning eerder had moeten worden vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat alleen recente politieke activiteiten, voor het eerst onderbouwd in de aanvraag van 8 juni 2022, aan de vergunning ten grondslag liggen. Eiser kon niet aannemelijk maken dat hij eerder aan de vereisten voldeed.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de ingangsdatum van de verblijfsvergunning op 8 juni 2022. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend vanwege het ontbreken van belangenbeschadiging door het bevoegdheidsgebrek.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vastgesteld op 8 juni 2022.