ECLI:NL:RBDHA:2024:89
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf voor grootmoeder wegens belangenafweging gezinsleven
Eiseres, met de Syrische nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid bij haar kleinzoon, die sinds 2021 in Nederland verblijft met zijn gezin. De aanvraag werd in 2021 afgewezen en dit besluit werd in 2023 gehandhaafd na bezwaar. De kern van het geschil betrof de vraag of tussen eiseres en haar zoon en schoondochter sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde dat ondanks de emotionele band en het feit dat eiseres zorg en opvoeding heeft verleend, zij niet financieel afhankelijk is van haar zoon en geen ernstige medische problematiek heeft die fysieke nabijheid vereist. De lichte ondersteuning die zij ontvangt kan ook door anderen worden geboden. De staatssecretaris heeft de belangenafweging zorgvuldig gemaakt, waarbij het belang van een restrictief toelatingsbeleid en de economische gevolgen voor Nederland zwaar wogen.
De rechtbank concludeerde dat de staatssecretaris een fair balance heeft gemaakt tussen het belang van eiseres bij gezinsleven en het Nederlandse algemeen belang. Het beroep is daarom ongegrond verklaard, de afwijzing van de mvv blijft in stand en eiseres krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.