ECLI:NL:RBDHA:2024:8628

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2024
Publicatiedatum
5 juni 2024
Zaaknummer
NL24.22402
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 96 lid 3 Vw
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring op grond van artikel 59b Vreemdelingenwet

Eiser, een Oezbeekse nationaliteit, is op 16 april 2024 onderworpen aan een maatregel van bewaring op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel vanaf 24 april 2024, het moment waarop het eerdere onderzoek werd gesloten.

Eiser voerde aan dat er geen redelijk vooruitzicht is op uitzetting en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Daarnaast stelde hij dat een lichter middel passend zou zijn en dat de belangenafweging in zijn voordeel uitvalt. De rechtbank constateerde dat de maatregel gebaseerd is op artikel 59b Vw, waarbij eiser rechtmatig verblijf heeft in verband met een lopende asielprocedure. De asielaanvraag is afgewezen, maar het beroep en verzoek om voorlopige voorziening zijn nog in behandeling.

De rechtbank vond dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld, onder meer door het voeren van een vertrekgesprek en het beschikken over een geldig reisdocument, waardoor geen aanleiding was voor het aanvragen van een laissez-passer. Omdat de maatregel niet gericht is op terugkeer, was het zicht op uitzetting niet relevant. De rechtbank oordeelde dat geen feiten of omstandigheden de opheffing van de bewaring rechtvaardigen en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.22402

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 16 april 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft op 29 mei 2024 een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hier op 31 mei 2024 op gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft op 3 juni 2024 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2002 en heeft de Oezbeekse nationaliteit.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 1 mei 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:6952) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 24 april 2024.
4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht is op uitzetting. Hij meent dat naarmate de aanvraag om een laissez-passer langer duurt, de termijn die nog redelijk genoemd kan worden, korter is. Eiser voert bovendien dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering, dat een lichter middel dan bewaring passend was geweest en dat de belangenafweging in zijn voordeel zou moeten uitvallen.
5. De rechtbank stelt vast dat de maatregel van bewaring is gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, van de Vw. Dat betekent dat eiser rechtmatig verblijf heeft in verband met zijn lopende asielprocedure. Uit het voortgangsrapport blijkt dat verweerder de asielaanvraag van eiser op 18 mei 2024 als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Eiser is daartegen in beroep gegaan en heeft een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Uit het aan de rechtbank overgelegde dossier volgt niet dat op dit beroep en verzoek al is beslist.
6. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat verweerder met eiser op 22 mei 2024 een vertrekgesprek heeft gevoerd. Verweerder heeft op 29 mei 2024 verzocht om het verzoek om voorlopige voorziening naar voren te halen. Verweerder beschikt over een geldig reisdocument van eiser, zodat er geen aanleiding is om een laissez-passer aan te vragen. De rechtbank beoordeelt deze gang van zaken als voldoende voortvarend.
7. Er is geen aanleiding om het zicht op uitzetting te beoordelen, nu de maatregel van bewaring is gebaseerd op artikel 59b, van de Vw. Eiser mag de uitkomst van zijn asielaanvraag of de beoordeling van zijn verzoek om voorlopige voorziening hangende zijn beroepsprocedure, in Nederland afwachten. De bewaring is dus niet gericht op terugkeer naar het land van herkomst zodat het zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor deze maatregel. [1]
8. In de uitspraak van 1 mei 2024 op het eerste beroep van eiser tegen de opgelegde maatregel van bewaring heeft de rechtbank geoordeeld dat een lichter middel niet was aangewezen, nu het risico van onttrekking aan het toezicht gegeven is. Eiser heeft zijn stelling dat een lichter middel is aangewezen niet onderbouwd en de oorspronkelijke motivering niet bestreden zodat er alleen al daarom geen reden is om nu een ander standpunt in te nemen.
9. Over wat eiser in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die, gelet op de duur van deze bewaring, voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
10. Ook overigens heeft de rechtbank geen onregelmatigheden vastgesteld die leiden tot onrechtmatigheid van de opgelegde maatregel.
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1552, recent bevestigd bij uitspraak van 22 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1946.