ECLI:NL:RBDHA:2024:8628
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring op grond van artikel 59b Vreemdelingenwet
Eiser, een Oezbeekse nationaliteit, is op 16 april 2024 onderworpen aan een maatregel van bewaring op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel vanaf 24 april 2024, het moment waarop het eerdere onderzoek werd gesloten.
Eiser voerde aan dat er geen redelijk vooruitzicht is op uitzetting en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Daarnaast stelde hij dat een lichter middel passend zou zijn en dat de belangenafweging in zijn voordeel uitvalt. De rechtbank constateerde dat de maatregel gebaseerd is op artikel 59b Vw, waarbij eiser rechtmatig verblijf heeft in verband met een lopende asielprocedure. De asielaanvraag is afgewezen, maar het beroep en verzoek om voorlopige voorziening zijn nog in behandeling.
De rechtbank vond dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld, onder meer door het voeren van een vertrekgesprek en het beschikken over een geldig reisdocument, waardoor geen aanleiding was voor het aanvragen van een laissez-passer. Omdat de maatregel niet gericht is op terugkeer, was het zicht op uitzetting niet relevant. De rechtbank oordeelde dat geen feiten of omstandigheden de opheffing van de bewaring rechtvaardigen en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.