Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2024:8262

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 mei 2024
Publicatiedatum
30 mei 2024
Zaaknummer
24/3593
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 lid 4 ParticipatiewetArt. 8:81 lid 1 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:83 lid 3 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsrecht niet-ontvankelijk verklaard

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 29 mei 2024 uitspraak gedaan over een verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker, zonder bekende woon- of verblijfplaats, had bezwaar gemaakt tegen de intrekking van zijn recht op bijstand door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Katwijk. Het college had dit recht ingetrokken met ingang van 27 juni 2023 en dit besluit na bezwaar gehandhaafd.

Het ingestelde beroep tegen deze intrekking werd door de voorzieningenrechter op 22 december 2023 ongegrond verklaard. Dit oordeel werd bevestigd door de Centrale Raad van Beroep in een uitspraak van 19 april 2024, waarmee de intrekking van het recht op bijstand in rechte vaststaat.

De voorzieningenrechter oordeelt dat een verzoek om voorlopige voorziening alleen ontvankelijk is indien er een lopende bezwaar- of beroepsprocedure (bodemprocedure) is, zoals vereist in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat in deze zaak geen bodemprocedure meer aanhangig is, is het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk. De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een lopende bodemprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/3593

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 mei 2024 in de zaak tussen

[verzoeker] , zonder bekende woon- of verblijfplaats, verzoeker

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Katwijk, het college
(gemachtigde: R.G.W. Paulissen).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van 10 mei 2024 tegen de intrekking van verzoekers recht op bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van – zoals verzoeker stelt – juli 2023.
2. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college verzoekers recht op bijstand op grond van de Pw met hetbesluit van 14 augustus 2023, met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Pw, met ingang van 27 juni 2023 heeft ingetrokken. Het college heeft dat besluit na heroverweging in bezwaar gehandhaafd.
3. Het daartegen ingestelde beroep heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank met de uitspraak van 22 december 2023 [1] ongegrond verklaard.
4. In de uitspraak van 19 april 2024 [2] op het door eiser ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 22 december 2023 heeft de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De intrekking van verzoekers recht op bijstand per 27 juni 2023 staat daarmee in rechte vast.
5. Wil een verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk zijn, dan moet er tevens een bezwaar- of beroepsprocedure (bodemprocedure) aanhangig zijn. Dat valt af te leiden uit artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
6. Nu er in verzoekers geval geen bodemprocedure is aan te wijzen, is de voorzieningenrechter, gezien het in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb neergelegde connexiteitsvereiste, van oordeel dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is.
7. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Awb maakt dat mogelijk.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr W. Goederee, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.