ECLI:NL:RBDHA:2024:8075
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om zoon als partner aan te merken voor lage eigen bijdrage Wlz
Eiseres, wonend in een zorginstelling en eigenaar van een woning waar haar zoon woont, verzocht het CAK om haar zoon aan te merken als partner voor de berekening van de eigen bijdrage op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Zij stelde dat zij een gezamenlijke huishouding voerden en verwees naar bijzondere omstandigheden, waaronder de afhankelijkheid van haar zoon van haar pensioeninkomen en zijn rol als mantelzorger.
Het CAK wees dit verzoek af omdat de Wlz expliciet uitsluit dat bloedverwanten in de eerste graad, zoals moeder en zoon, als partners kunnen worden aangemerkt. De rechtbank bevestigde dit standpunt en oordeelde dat de wetgever bewust heeft gekozen voor deze beperking, waardoor het samenwonen van een ouder met een kind niet als gezamenlijke huishouding wordt erkend in dit kader.
De rechtbank overwoog verder dat de door eiseres aangevoerde bijzondere omstandigheden onvoldoende waren onderbouwd en niet leiden tot een uitzondering op de dwingendrechtelijke regels. De hoge eigen bijdrage blijft daarom van toepassing. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de hoge eigen bijdrage blijft van toepassing.