ECLI:NL:RBDHA:2024:8034
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting afgewezen
Eiser, een Algerijnse vreemdeling, maakte bezwaar tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De maatregel was twee keer opgelegd, laatstelijk op 14 maart 2024, en eiser stelde dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde bij zijn uitzetting, mede omdat hij nog niet was gepresenteerd aan de Algerijnse autoriteiten.
De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken waarin de maatregel tot 26 april 2024 rechtmatig was bevonden en beperkte de beoordeling tot de periode daarna. Uit het voortgangsrapport bleek dat verweerder regelmatig contact had met de Algerijnse autoriteiten en op 22 april 2024 een vertrekgesprek met eiser had gevoerd. Ondanks het ontbreken van recente uitzettingshandelingen vond de rechtbank dat verweerder voldoende voortvarend was, gezien het beperkte tijdsverloop.
De rechtbank oordeelde dat er in algemene zin zicht is op uitzetting naar Algerije en dat het ontbreken van presentatie aan de autoriteiten binnen drie maanden na de aanvraag van een laissez-passer geen reden was voor een ander oordeel. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.