ECLI:NL:RBDHA:2024:7702
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser diende een asielaanvraag in die door de staatssecretaris niet in behandeling werd genomen op grond van de Dublinverordening, omdat Oostenrijk verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling. Eiser voerde aan dat de staatssecretaris onvoldoende rekening had gehouden met zijn nauwe band met zijn minderjarige zusje, die in Nederland verblijft en een asielvergunning heeft.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris het besluit niet onzorgvuldig had voorbereid, maar dat hij onvoldoende had gemotiveerd hoe hij het belang van het minderjarige zusje had betrokken bij de beoordeling van de overdracht. De staatssecretaris was niet ingegaan op de mogelijkheden tot gezinshereniging, het welzijn en de sociale ontwikkeling van het zusje, noch op haar zienswijze en de verklaring van haar voogd.
De rechtbank stelde vast dat de opsomming van gronden in artikel 16 van Pro de Dublinverordening limitatief is en dat de gestelde afhankelijkheid van eiser niet binnen deze gronden valt. Wel is het belang van het minderjarige kind bij de toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening vooropgesteld, maar de staatssecretaris had dit onvoldoende gemotiveerd.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg de staatssecretaris op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd eiser een proceskostenvergoeding van €1.750 toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.