De rechtbank Den Haag heeft op 29 april 2024 het beroep van eiser tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid beoordeeld waarin aan eiser de maatregel van bewaring is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde aan dat de ophouding ten onrechte op artikel 50, tweede lid, Vw was gebaseerd en dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting naar Algerije bestond vanwege het ontbreken van identificerende documenten.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris terecht de maatregel van bewaring heeft opgelegd omdat eiser niet beschikte over identificerende documenten en zijn identiteit en nationaliteit daardoor niet vaststonden. De rechtbank verwees naar de rechtspraak dat strafrechtelijke informatie niet hoeft te worden gebruikt indien de vreemdeling geen identificatiedocumenten heeft.
Ten aanzien van het zicht op uitzetting stelde de rechtbank vast dat sinds december 2023 Algerijnse vreemdelingen kunnen worden geïdentificeerd via dactyloscopie en dat van zes ongedocumenteerden de nationaliteit is bevestigd en een laissez-passer is toegezegd. Omdat van eiser vingerafdrukken zijn afgenomen, is er geen reden om aan te nemen dat hij geen laissez-passer zal ontvangen.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is, de bewaring rechtmatig is en dat er geen aanleiding is tot het toekennen van schadevergoeding of proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter S.A. van Hoof en griffier J. de Graaf.