ECLI:NL:RBDHA:2024:5184
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H. Hanssen - Telman
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag op grond van de Dublinverordening. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een situatie onder artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening, waardoor eiser in dit geval wel een beroep kan doen op een hoofdstuk III-criterium, zoals artikel 10.
De rechtbank beoordeelt vervolgens dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van een gezinsband met zijn partner in de zin van artikel 2, aanhef en onder g, van de Dublinverordening. De overgelegde foto’s en onvertaalde huwelijksakte bieden geen bewijs dat het gezin reeds in het land van herkomst bestond. De rechtbank volgt daarmee de conclusie van de staatssecretaris.
Eiser heeft ook aangevoerd dat overdracht aan Duitsland onevenredig hard zou zijn op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, vanwege zijn rol als stiefvader. Dit beroep faalt eveneens omdat de gezinsband onvoldoende is aangetoond en er geen nadere onderbouwing is gegeven.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het besluit van de staatssecretaris. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter H. Hanssen - Telman en griffier J.A. Hessels.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.