ECLI:NL:RBDHA:2024:5085
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht
Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, werd op 9 januari 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De maatregel werd op 25 maart 2024 opgeheven nadat eiser was uitgezet.
De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest en of schadevergoeding moet worden toegekend. Eiser voerde aan dat hij op 22 maart 2024 een aanvraag tot toetsing aan het EU-recht had ingediend, wat procedureel rechtmatig verblijf zou betekenen en daarmee de grondslag voor bewaring zou wegnemen.
De rechtbank stelde echter vast dat eiser deze aanvraag niet had overgelegd en dat uit het dossier geen bewijs of concrete gegevens over de aard van de aanvraag bleek. Bovendien oordeelde de rechtbank dat er aanwijzingen waren voor rechtsmisbruik, omdat de aanvraag pas na het vertrekgesprek werd ingediend en niet was voorzien van de benodigde bewijsstukken. Het beroep op rechtmatig verblijf faalde daarom.
De rechtbank concludeerde dat het voortduren van de maatregel tot aan de opheffing rechtmatig was en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding en proceskostenvergoeding werd afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.