ECLI:NL:RBDHA:2024:3393
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen uitspraak inzake bekendmaking intrekking verblijfsvergunning ongegrond verklaard
Opposante heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 24 juli 2023, waarin haar beroep tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning kennelijk ongegrond werd verklaard. Zij betoogde dat het besluit niet correct was bekendgemaakt, omdat het niet aan haar gemachtigde was gestuurd en niet per aangetekende post, en dat het besluit naar een adres was gestuurd waar zij niet verbleef.
De rechtbank overwoog dat het besluit correct was geadresseerd en verzonden naar het laatst bekende adres van opposante in Nederland, wat volgens vaste rechtspraak een geschikte wijze van bekendmaking is. Het feit dat opposante niet op dat adres verbleef en dat de staatssecretaris hiervan op de hoogte was, doet hieraan niet af.
Opposante verwees naar jurisprudentie en wettelijke bepalingen, maar de rechtbank vond deze niet van toepassing of niet overtuigend. Ook het argument dat het besluit bij terugkomst in Nederland bekend had moeten worden gemaakt, werd verworpen omdat artikel 3.104, vierde lid, Vb 2000 alleen ziet op verlening of wijziging, niet op intrekking.
De rechtbank concludeerde dat het verzet geen twijfel over de uitkomst van de zaak oproept en dat een zitting geen ander oordeel zou opleveren. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en bleef de eerdere uitspraak in stand.
Uitkomst: Het verzet tegen de uitspraak over de bekendmaking van de intrekking van de verblijfsvergunning is ongegrond verklaard.