ECLI:NL:RVS:2007:BB9995
Raad van State
- Hoger beroep
- T.M.A. Claessens
- C.H.M. van Altena
- M.A.A. Mondt-Schouten
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens te late indiening na ongewenstverklaring vreemdeling
Appellant werd bij besluit van 6 mei 2002 ongewenst verklaard door de staatssecretaris van Justitie. Dit besluit werd op 18 juni 2002 gepubliceerd in de Staatscourant nadat uitreiking in persoon niet mogelijk bleek vanwege het onbekende verblijfadres van appellant. Appellant diende zijn bezwaar pas op 13 oktober 2005 in, ruim na de wettelijke bezwaartermijn.
De staatssecretaris had geprobeerd het besluit persoonlijk uit te reiken, maar appellant was na zijn ontslag uit detentie vertrokken zonder een nieuw adres door te geven. De Raad van State oordeelt dat de publicatie in de Staatscourant als een geschikte wijze van bekendmaking geldt volgens artikel 3:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Hierdoor is het bezwaar van appellant te laat ingediend en dient het als niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de eerdere uitspraak van de rechtbank en het besluit van 15 augustus 2006 dat het bezwaar ongegrond verklaarde. Tevens veroordeelt zij de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten aan appellant en derden. De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de ongewenstverklaring is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.