ECLI:NL:RBDHA:2024:22875
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening samen behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde zich aanvankelijk afmelden voor de zitting, maar later aanvullende informatie verstrekten.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ondanks het standpunt van verweerder dat eiser geen procesbelang meer heeft vanwege vertrek met onbekende bestemming. De rechtbank baseert dit op het feit dat de gemachtigde nog frequent contact heeft met eiser. Vervolgens toetst de rechtbank of verweerder terecht van het interstatelijke vertrouwensbeginsel mocht uitgaan dat Oostenrijk zijn internationale verplichtingen nakomt.
Eiser heeft onvoldoende concreet bewijs geleverd dat er sprake is van systematische tekortkomingen in het Oostenrijkse asielstelsel die een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling opleveren. Ook zijn bijzondere individuele omstandigheden die overdracht onevenredig hard maken niet aannemelijk gemaakt. Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de overdracht aan Oostenrijk blijft in stand.