ECLI:NL:RBDHA:2024:2229
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bpm-heffing niet in strijd met Unierecht; vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (Bpm) opgelegd door verweerder. De naheffingsaanslag was gebaseerd op een lagere CO2-uitstoot en forfaitaire waardebepaling dan door eiseres opgegeven. Eiseres stelde dat de aanslag onterecht en te hoog was, dat de hoorplicht was geschonden en dat zij recht had op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd en niet in strijd met het Unierecht. De hoorplicht was niet geschonden, aangezien eiseres meerdere keren was uitgenodigd voor een hoorgesprek, maar deze had afgezegd. De rechtbank wees erop dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel niet vereist dat een hoorgesprek wordt gehouden.
Verder concludeerde de rechtbank dat eiseres onvoldoende bewijs had geleverd voor de door haar gestelde waardevermindering van de auto. De naheffingsaanslag werd daarom niet verlaagd. Wel werd vastgesteld dat de bezwaar- en beroepsprocedure ruim 8 maanden langer duurde dan de redelijke termijn, waardoor eiseres recht had op een vergoeding van immateriële schade van €1.000, waarvan €875 door verweerder en €125 door de Staat wordt vergoed.
Daarnaast werden proceskosten en griffierecht aan eiseres toegekend. De rechtbank bepaalde dat de vergoedingen op een bankrekening op naam van eiseres moeten worden betaald en wees erop dat de wettelijke rente vanaf vier weken na uitspraak of na opgave van een bankrekening gaat lopen.
Uitkomst: Beroep ongegrond verklaard; vergoeding immateriële schade en proceskosten toegekend wegens termijnoverschrijding.