ECLI:NL:RBDHA:2024:21044
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel op grond van de Vreemdelingenwet 2000
De zaak betreft een beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres stelde dat het besluit onrechtmatig was vanwege schending van het verdedigingsbeginsel, taalproblemen, en onjuiste detentieomstandigheden zoals gebrek aan toegang tot open lucht en gemengde huisvesting.
De rechtbank constateert een schending van het verdedigingsbeginsel omdat eiseres voorafgaand aan het besluit niet is gehoord. Echter, deze schending leidt niet automatisch tot onrechtmatigheid; een belangenafweging is vereist. De rechtbank oordeelt dat eiseres niet daadwerkelijk is belemmerd in haar mogelijkheid tot verweer, mede omdat zij in beroep voldoende gelegenheid heeft gehad haar standpunten naar voren te brengen.
Verder overweegt de rechtbank dat klachten over de feitelijke detentieomstandigheden, zoals toegang tot open lucht en gescheiden huisvesting, niet in deze procedure aan de orde kunnen komen maar via een andere rechtsgang moeten worden behandeld. De klachten over de klachtprocedure bij de Commissie van Toezicht zijn onvoldoende onderbouwd.
Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.