ECLI:NL:RBDHA:2024:19636
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken gezinsleven artikel 8 EVRM
Eisers, Syrische nationaliteit, vroegen om een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid bij hun dochter (referente). De minister wees deze aanvragen af omdat geen sprake zou zijn van gezinsleven volgens artikel 8 EVRM Pro, mede vanwege het ontbreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
De rechtbank oordeelde dat de minister het juiste toetsingskader hanteerde en alle relevante factoren, zoals financiële, emotionele en medische afhankelijkheid, samenwoning en banden met het land van herkomst, in samenhang heeft beoordeeld. Hoewel eisers stelden dat de minister onvoldoende rekening hield met de intensiteit van de zorg en emotionele afhankelijkheid, vond de rechtbank dat deze elementen niet boven de normale ouder-kind relatie uitstijgen.
De medische problematiek van eisers werd erkend, maar de zorgbehoefte bleek vooral uit medicatie-inname en kon ook op afstand geregeld worden. De emotionele afhankelijkheid was niet zodanig dat het gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro werd aangenomen. De belangenafweging was niet nodig omdat geen gezinsleven werd vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskosten af. De uitspraak bevat een toelichting op het recht op hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van gezinsleven volgens artikel 8 EVRM.