ECLI:NL:RBDHA:2024:19418
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep tegen niet-tijdige asielbeslissing
Verzoeker diende een asielaanvraag in op 15 november 2022 en stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op deze aanvraag. Verweerder heeft de aanvraag uiteindelijk op 8 mei 2024 ingewilligd, waarna verzoeker zijn beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De rechtbank overwoog dat de beslistermijn op grond van de Dublinverordening en de Vreemdelingenwet aanvangt op het moment dat Nederland verantwoordelijk wordt voor de behandeling van de aanvraag. Door uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak was duidelijk dat Nederland sinds 26 april 2023 verantwoordelijk was, waardoor de beslistermijn op die datum begon te lopen.
Met de inwerkingtreding van de WBV 2022/22 is de beslistermijn verlengd met negen maanden, waardoor de termijn voor verzoeker pas op 26 juli 2024 zou eindigen. De rechtbank achtte deze verlenging rechtsgeldig. De ingebrekestelling van verzoeker op 19 april 2024 was daarom prematuur en het beroep niet-ontvankelijk geweest indien het niet was ingetrokken.
De rechtbank concludeerde dat er geen sprake was van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan verzoeker in de zin van artikel 8:75a Awb en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de beslistermijn rechtsgeldig was verlengd en de ingebrekestelling prematuur was.