ECLI:NL:RBDHA:2024:19003
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.L.M. Steinebach - de Wit
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening Kroatië
De rechtbank Den Haag heeft op 14 november 2024 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister stelde dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening.
Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten onrechte werd toegepast, dat artikel 9 van Pro de Dublinverordening (gezinshereniging) op hem van toepassing is en dat de minister artikel 17 van Pro de Dublinverordening had moeten toepassen vanwege zijn persoonlijke omstandigheden in Kroatië. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat eiser geen nieuwe, zwaarwegende omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt.
Ook het beroep op artikel 9 faalde Pro omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat er op het moment van zijn eerste asielaanvraag in Kroatië sprake was van een duurzame relatie. Het huwelijk in Nederland na die datum is niet relevant voor de toepassing van artikel 9. Ten slotte was toepassing van artikel 17 niet Pro verplicht en de minister mocht het verzoek weigeren omdat het huwelijk niet voldoende aanleiding gaf om de asielaanvraag inhoudelijk te behandelen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat Kroatië verantwoordelijk is voor de asielaanvraag. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.