ECLI:NL:RBDHA:2024:18211
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking bewonersparkeervergunning wegens beschikbaarheid parkeerplaats op eigen terrein
Eiseres kreeg op 25 augustus 2023 een bewonersparkeervergunning, die verweerder op 25 september 2023 introk omdat eiseres gebruik kan maken van een stallingsgarage die aan haar woning is toegewezen. Eiseres voerde aan dat zij geen parkeerplaats op eigen terrein heeft, dat de parkeergarage niet als zodanig kan worden aangemerkt, en dat haar medische situatie (claustrofobie) en financiële situatie (bijstandsuitkering) niet zijn meegewogen.
De rechtbank oordeelt dat de stallingsgarage voldoet aan de definitie van een parkeerplaats op eigen terrein volgens de geldende Regeling en dat verweerder terecht de vergunning heeft ingetrokken. De rechtbank passeert het formele gebrek in het beoordelingskader met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen concrete toezegging is gedaan dat de vergunning niet zou worden ingetrokken.
De medische klachten van eiseres zijn onvoldoende onderbouwd om af te wijken van het beleid. Ook de financiële situatie vormt geen bijzondere omstandigheid die intrekking zou moeten verhinderen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst verweerder toe het griffierecht en proceskosten aan eiseres te vergoeden, en bevestigt de intrekking van de bewonersparkeervergunning.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de bewonersparkeervergunning is ongegrond verklaard en de intrekking bevestigd.