ECLI:NL:RBDHA:2024:18032
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beschikking onmiddellijke terugkeer minderjarige na ongeoorloofde overbrenging naar India
De moeder heeft zonder toestemming van de vader hun minderjarige kind meegenomen van Nederland naar India, waar het kind onmiddellijk voor de overbrenging zijn gewone verblijfplaats had. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit. De rechtbank oordeelt dat deze overbrenging ongeoorloofd is in de zin van artikel 3 van Pro het Haagse Verdrag inzake internationale kinderontvoering.
Omdat minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging en het verzoek tot terugkeer, is de rechtbank niet toegekomen aan de vraag of het kind in India is geworteld. Er zijn geen weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van Pro het Verdrag vastgesteld of aangevoerd. Daarom beveelt de rechtbank de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige naar Nederland, uiterlijk 11 november 2024.
De moeder wordt opgedragen het kind terug te brengen; indien zij dit nalaat, dient zij het kind met geldige reisdocumenten aan de vader af te geven, zodat hij het kind zelf kan terugbrengen. Het verzoek van de vader om de moeder te veroordelen in de kosten wordt afgewezen wegens onvoldoende specificatie. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De rechtbank beveelt de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige naar Nederland uiterlijk 11 november 2024.