ECLI:NL:GHDHA:2020:2020
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bevestiging teruggeleiding minderjarigen uit Verenigde Arabische Emiraten naar Nederland bij internationale kinderontvoering
In deze zaak gaat het om een verzoek tot teruggeleiding van drie minderjarigen die door hun vader zijn meegenomen naar de Verenigde Arabische Emiraten en niet zijn teruggekeerd naar Nederland. De moeder, woonachtig in Nederland, heeft via de Nederlandse Centrale Autoriteit een verzoek tot teruggeleiding ingediend. De rechtbank Noord-Holland heeft eerder de vader veroordeeld tot afgifte van de minderjarigen en hun paspoorten aan de moeder, met een dwangsom en uitvoerbaarheid bij lijfsdwang.
De vader is in hoger beroep gegaan tegen deze beschikking en betoogt onder meer dat de moeder geen gezagsrecht heeft, dat de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in de Verenigde Arabische Emiraten hebben, en dat de minderjarigen zich verzetten tegen terugkeer naar Nederland. Het hof oordeelt dat de moeder sinds haar vestiging in Nederland in 2017 samen met de vader het gezag over de minderjarigen uitoefent volgens Nederlands recht. De gewone verblijfplaats van de minderjarigen is Nederland, gelet op hun inschrijving in de BRP, schoolbezoek en asielstatus.
Het hof neemt het Haags Kinderontvoeringsverdrag als punt van oriëntatie, ondanks dat de Verenigde Arabische Emiraten geen verdragsland zijn. Het verzet van de minderjarigen tegen terugkeer wordt niet als authentiek en voldoende rijp beoordeeld, mede vanwege het ontbreken van fysiek contact en het conflict tussen ouders. De door de vader aangevoerde weigeringsgronden worden verworpen. Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en gelast de terugkeer van de minderjarigen uiterlijk 2 november 2020, waarbij de vader de minderjarigen moet terugbrengen of afgeven aan de moeder met geldige reisdocumenten.
Uitkomst: Het hof gelast de terugkeer van de minderjarigen naar Nederland uiterlijk 2 november 2020 en wijst het hoger beroep van de vader af.