ECLI:NL:RBDHA:2024:16870
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortzetting maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
De minister heeft op 5 augustus 2024 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 11 oktober 2024 middels telehoren, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren.
Eiser betoogde dat de maatregel onrechtmatig is omdat de aanvraag voor een laissez-passer al op 29 maart 2024 was ingediend maar nog niet was verstrekt, waardoor het uitzicht op uitzetting ontbreekt. Tevens stelde eiser dat zijn belang bij invrijheidstelling zwaarder weegt dan het belang van de minister en dat een lichter middel zoals een meldplicht volstaat.
De rechtbank oordeelt dat er wel degelijk zicht is op uitzetting, mede omdat eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting, niet is verschenen bij een presentatie en weigerde mee te werken aan vervoer naar de ID-missie. De rechtbank acht de voortgangsrapportage van de minister voldoende en concludeert dat de maatregel rechtmatig is en proportioneel wordt gehandhaafd. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen.
Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.