Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
het gehoor plaatsvond op 5 oktober 2024 te 15:00 uur (…)(X) zonder aanwezigheid van de raadsman, mr. Dhr. H.G.A.M. Halfers, omdat deze verklaarde niet bij het gehoor aanwezig te willen/kunnen zijn”.
éérstaan de vreemdeling wordt gevraagd of hij tijdens het bewaringsgehoor wil worden bijgestaan, of dat
éérsteen gemachtigde aangeeft “zijn/haar cliënt wel later te zullen te bezoeken” en dit vervolgens wordt medegedeeld aan de vreemdeling. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de gemachtigde dat het recht op rechtsbijstand toekomt aan degene die rechtsbijstand behoeft. Hieruit volgt dat indien een vreemdeling aangeeft gebruik te willen maken van zijn recht op rechtsbijstand, en de piketadvocaat vervolgens daadwerkelijk zou aangeven “niet bij het gehoor aanwezig te willen/kunnen zijn”, een andere rechtsbijstandverlener moet worden ingeschakeld. Het is immers niet aan de (piket)advocaat om te bepalen of en hoe de vreemdeling van zijn recht op rechtsbijstand gebruik kan maken.
nadateiser had aangegeven geen advocaat bij het gehoor te willen en het telefonisch contact er dus toe strekte om de advocaat hierover te informeren. Op pagina 2 is vervolgens weliswaar vermeld dat aan eiser is gevraagd of hij het goed vindt om het gehoor zonder aanwezigheid van zijn advocaat voort te zetten en dat de stukken naar de advocaat worden gestuurd na het gesprek, maar dit doet onvoldoende af aan de volgordelijkheid die uit de M110 blijkt. Gemachtigde heeft overigens opgemerkt dat hij had verzocht om een piketmelding te doen zodat hij die kon accepteren, maar dat dit zonder opgaaf van redenen werd geweigerd. De rechtbank vindt dit opmerkelijk, maar leidt uit bovenstaande weergave van passages uit de M110 en gehoord de gemachtigde, af dat bij een “omzettingsgehoor” dat op AC Schiphol plaatsvindt, de gemachtigde die de vreemdeling bij de voorgaande maatregel heeft bijgestaan wordt benaderd zonder dat dit formeel via een melding bij de Raad voor de Rechtsbijstand geschiedt. De rechtbank heeft de indruk dat dit enkel op AC Schiphol op deze wijze geschiedt, maar verbindt aan deze gang van zaken geen gevolgen. Eiser heeft zijn recht op rechtsbijstand kunnen effectueren en de gemachtigde is inmiddels geregistreerd als gemachtigde in deze procedure. De rechtbank merkt ook op geen indicatie te hebben dat willens en wetens de verslaglegging gebrekkig is gedaan. Deze beroepsgrond van eiser slaagt dus niet.