ECLI:NL:RBDHA:2024:16775
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
De rechtbank Den Haag heeft het beroep van een Syrische asielzoeker beoordeeld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Dit besluit is genomen op grond van de Dublinverordening, waarbij Nederland heeft vastgesteld dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. De minister heeft een verzoek tot terugname aan Frankrijk gedaan, dat is aanvaard.
De eiser stelde dat de minister het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden, met name vanwege de spelling van zijn achternaam zonder juridische ondersteuning. De rechtbank oordeelt dat de minister zich redelijk heeft opgesteld en dat er geen aanleiding is de naam te wijzigen. Tevens betoogde eiser dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast kan worden omdat hij in Frankrijk een reëel risico op onmenselijke behandeling loopt, onderbouwd met AIDA-rapporten.
De rechtbank stelt dat het uitgangspunt is dat Frankrijk zijn verdragsverplichtingen nakomt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat er structurele en ernstige tekortkomingen zijn die leiden tot een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 EU Pro-Handvest. Eiser is hier niet in geslaagd. De rechtbank acht de problemen in Frankrijk niet dermate ernstig en wijst het beroep af. Er is geen plicht tot nader onderzoek voor de minister en het beroep is kennelijk ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.