ECLI:NL:RBDHA:2024:13865
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen ophouding op grond van Vreemdelingenwet 2000 ongegrond verklaard
Eiser maakte bezwaar tegen zijn ophouding op 8 augustus 2024, die plaatsvond op basis van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat er sprake was van een verkapte vreemdelingenrechtelijke aanhouding en dat de afdoening met een geldboete niet correct was onderbouwd met een boetebesluit. De rechtbank stelde vast dat eiser werd aangehouden vanwege het niet kunnen tonen van een identiteitsbewijs na een melding waarbij een ambulance politieondersteuning vroeg. Dit leidde tot een strafrechtelijke aanhouding wegens overtreding van artikel 447E Sr.
De rechtbank oordeelde dat de aanhouding plaatsvond op grond van strafrechtelijke bevoegdheden en dat de bewaringsrechter niet bevoegd is om te oordelen over de toepassing van niet op de Vreemdelingenwet gebaseerde bevoegdheden. De aangevoerde jurisprudentie bracht geen ander oordeel. Ook was er geen reden om aan te nemen dat de proces-verbalen onjuist waren, aangezien eiser geen concreet bewijs leverde.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak is gedaan door rechter Schuurman-Kleijberg en griffier Abrahams en is in het openbaar bekendgemaakt op 23 augustus 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de ophouding wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.