ECLI:NL:RBDHA:2024:11907

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2024
Publicatiedatum
31 juli 2024
Zaaknummer
NL24.25056
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EU) Nr. 604/2013
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. De rechtbank heeft het beroep op 19 juli 2024 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet zijn verschenen.

De rechtbank overweegt dat het niet in geschil is dat Kroatië verantwoordelijk is voor de asielaanvraag. Uit eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak blijkt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt voor Kroatië en dat er geen aanwijzingen zijn voor pushbacks van Dublinclaimanten in Kroatië. De door eiser overgelegde stukken bieden geen aanleiding tot een andere conclusie.

Verder is het niet gebleken dat het onzorgvuldig is dat eiser eerder een overdrachtsbesluit ontving dan zijn gestelde familielid, aangezien niet is vastgesteld dat sprake is van een gezinslid in de zin van de Dublinverordening.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de vergoeding van proceskosten af. Tegen deze uitspraak kan binnen één week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.25056
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.J. van den Hoogen),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L.S. Hartog).

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juli 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Het is niet in geschil dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. De Afdeling [1] heeft in haar uitspraak van 13 september 2023 geoordeeld dat in het geval van Kroatië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [2] De Afdeling heeft dit tot op heden bevestigd. [3] In de uitspraak van 13 september 2023 is geconcludeerd dat er geen aanknopingspunten zijn dat Dublinclaimanten in Kroatië te maken hebben met pushbacks. De door eiser overgelegde stukken geven geen aanleiding tot een andere conclusie, nu niet is gebleken dat deze stukken zien op de situatie van Dublinclaimanten in Kroatië. Die stukken kunnen dan ook niet leiden tot de conclusie dat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daarnaast heeft Kroatië met het claimakkoord gegarandeerd de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen.
2. Voor zover eiser stelt dat het niet zorgvuldig is dat hij wel een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en zijn gestelde familielid niet, ziet de rechtbank geen aanleiding dat te volgen. Niet is gebleken dat sprake is van een gezinslid in de zin van de Dublinverordening. [4] Ook zijn door eiser geen omstandigheden naar voren gebracht dat het onzorgvuldig is dat eiser eerder dan zijn gestelde familielid een besluit heeft ontvangen.
3. Het beroep is ongegrond.
4. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2024 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en het proces-verbaal daarvan is openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Zie de uitspraken van 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:288, 30 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1786 en 19 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2484.
4.Verordening (EU) Nr. 604/2013.