ECLI:NL:RBDHA:2024:11683
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag met oplegging aanvullende termijn en dwangsom
Eiser heeft op 8 april 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag, die op 3 november 2022 was ingediend. De minister van Asiel en Migratie had op grond van de Vreemdelingenwet 2000 en de verlenging door WBV 2022/22 in totaal 15 maanden om te beslissen, tot uiterlijk 3 februari 2024. Deze termijn is verstreken zonder besluit.
Eiser stelde de minister op 29 februari 2024 rechtsgeldig in gebreke, waarna meer dan twee weken verstreken zonder besluit. De rechtbank oordeelt dat het niet tijdig nemen van een besluit gelijkstaat aan een besluit en vernietigt dit. De rechtbank legt een termijn op van acht weken voor het houden van een aanvullend gehoor in het kader van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag en acht weken daarna voor het nemen van een besluit, conform het 8+8-wekenmodel.
De uiterste beslistermijn van 21 maanden verloopt op 3 augustus 2024, maar het aanvullende gehoor is noodzakelijk voor een zorgvuldige beoordeling. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 437,50, en legt een dwangsom van € 100 per dag op bij overschrijding van de termijn, met een maximum van € 7.500.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het niet tijdig nemen van een besluit wordt vernietigd en de minister krijgt een termijn van 8+8 weken opgelegd met dwangsom.