ECLI:NL:RBDHA:2023:9246
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking verblijfsvergunning en oplegging inreisverbod wegens gevaar openbare orde
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende vreemdeling, kreeg in 2016 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Na een onherroepelijke veroordeling in 2020 tot 23 maanden gevangenisstraf wegens verkrachting, trok de staatssecretaris zijn vergunning met terugwerkende kracht in, wees zijn aanvraag voor verblijf als EU langdurig ingezetene af, legde een terugkeerbesluit op en stelde een inreisverbod van tien jaar in.
Eiser voerde aan dat het besluit in strijd was met zijn recht op familieleven (artikel 8 EVRM Pro), omdat hij sinds 2015 een deugdzaam leven leidt, een gezin heeft in Nederland en zijn echtgenote niet mee kan verhuizen vanwege psychische en sociale omstandigheden. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris de belangen zorgvuldig heeft afgewogen, rekening houdend met jurisprudentie over evenredigheid en actuele dreiging.
De rechtbank stelde vast dat eiser een ernstige veroordeling heeft, het delict ontkent en dat hij nog geen langdurige positieve gedragsverandering heeft kunnen tonen vanwege detentie. De staatssecretaris heeft ook de subjectieve belemmeringen van de echtgenote meegewogen, maar deze wegen niet zwaarder dan het belang van de openbare orde.
De rechtbank concludeert dat het opleggen van het inreisverbod van tien jaar gerechtvaardigd is, gezien de ernst van het misdrijf en het gevaar voor de samenleving. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en het opleggen van het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.