Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
1. De staatssecretaris klaagt in grief 1 terecht dat de rechtbank buiten de grenzen van het geding is getreden (artikel 8:69, eerste lid, van de Awb). De rechtbank heeft beoordeeld of het terugkeerbesluit rechtsgeldig is uitgereikt, terwijl de vreemdeling daar niet in een beroepsgrond over had geklaagd. Bovendien blijkt uit de uitspraak van de rechtbank uitdrukkelijk dat partijen het erover eens zijn dat het terugkeerbesluit op enig moment is uitgereikt.
tenminste zolang dat terugkeerbesluit de grondslag voor een voortdurende inbewaringstelling is. Naar het oordeel van de rechtbank volgt óók deze verplichting uit het arrest van het Hof van 8 november 2022 in de zaak C, B en X. (ECLI:EU:C:2022:858). De enkele omstandigheid dat de rechtbank het (volg)beroep tegen de bewaring niet op hetzelfde moment kan beoordelen omdat eiser een separaat beroep heeft ingesteld tegen het terugkeerbesluit/inreisverbod en de rechtmatigheid van deze besluiten niet gelijktijdig met het instellen van beroep tegen de rechtmatigheid van de oplegging en/of voortduring van de bewaringsmaatregel aanvecht doet hier, naar het oordeel van de rechtbank, niet aan af.
onder b, Awb en niet met inachtneming van artikel 8:115, eerste lid, aanhef en
onder a, Awb af dat de rechtbank beoordelingsruimte heeft om over de ontvankelijkheid van het beroep te beslissen.
geschilpunt tussen partijente beslechten is het dus onvermijdelijk dat de rechtbank, om te beoordelen of het beroep ontvankelijk kan worden verklaard, nagaat of het beroep tijdig is ingesteld. Om dit te kunnen beoordelen en omdat partijen hierover van mening verschillen, is het onontkoombaar dat de rechtbank nagaat wanneer het terugkeerbesluit is genomen én wanneer dit door de bekendmaking aan eiser in werking is getreden.
wanneerdit terugkeerbesluit dan is uitgereikt. Indien de rechtbank enkel uit kan gaan van de omstandigheid dat beide partijen er van uit gaan dat het terugkeerbesluit “op enig moment” is uitgereikt, maar niet verder mag onderzoeken
wanneerdit is geschied, kan de rechtbank geen uitspraak doen. Indien de rechtbank tot de conclusie komt dat, anders dan partijen menen, het terugkeerbesluit in het geheel niet is uitgereikt, moet de rechtbank dit wel vaststellen. De rechtbank kan immers bezwaarlijk een van de partijen in het gelijk stellen zonder dat de rechtbank dit kan motiveren.
- verklaart het beroep voor zover dit is gericht tegen het terugkeerbesluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover dit is gericht tegen het inreisverbod gegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.092,50.