ECLI:NL:RBDHA:2023:6134
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit wegens onvoldoende motivering ambtshalve toetsing verblijfsvergunning artikel 8 EVRM
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een document dat haar duurzaam verblijfsrecht als burger van de Unie bevestigt. De staatssecretaris wees deze aanvraag af omdat eiseres niet voldeed aan de voorwaarden voor duurzaam verblijfsrecht en voerde daarbij niet ambtshalve een toets uit op grond van artikel 8 van Pro het EVRM, ondanks dat eiseres expliciet een beroep daarop deed.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris wel de bevoegdheid heeft om ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 8 EVRM Pro, maar niet de plicht. Echter, als een vreemdeling expliciet een beroep doet op artikel 8 EVRM Pro, moet de staatssecretaris deugdelijk motiveren waarom hij geen gebruik maakt van die bevoegdheid. De motivering van de staatssecretaris was onvoldoende en deels gelijk aan een eerder door de Afdeling bestuursrechtspraak vernietigd besluit.
De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris onvoldoende toelicht waarom hij afziet van ambtshalve toetsing, terwijl het doel van die toets juist is om opeenstapeling van procedures en mislopen van leges te voorkomen. Daarom is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en wordt het vernietigd. De staatssecretaris moet binnen acht weken een nieuw besluit nemen waarin de ambtshalve toets aan artikel 8 EVRM Pro wordt heroverwogen. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de ambtshalve toetsing op grond van artikel 8 EVRM en de staatssecretaris wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.