Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser
Procesverloop
.
Overwegingen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Indiase nationaliteit, werd op 12 maart 2023 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat de maximale ophoudingstermijn was overschreden en dat onvoldoende gronden voor bewaring aanwezig waren. De rechtbank stelde vast dat de ophoudingstermijn van zes uur niet was overschreden, aangezien de termijn pas begon bij aankomst op een plaats bestemd voor verhoor om 11:30 uur en de bewaring om 15:45 uur werd opgelegd.
De rechtbank oordeelde dat de zware gronden voor bewaring, waaronder het reizen met vervalste documenten en het ontbreken van een vaste verblijfplaats, voldoende waren onderbouwd. Het argument dat een lichter middel had moeten worden toegepast werd verworpen, omdat eiser zich aan toezicht onttrok en niet traceerbaar was. Tevens werd geoordeeld dat de uitzettingsprocedure voortvarend was opgepakt, ondanks het parallelle IOM-traject.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.