ECLI:NL:RBDHA:2023:5451
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot voortzetting opvang wegens beëindiging verblijf en ontbreken acute medische noodsituatie
Verzoeker, een Gambiaanse asielzoeker, kreeg te horen dat zijn opvang per 31 maart 2023 wordt beëindigd omdat hij niet langer rechtmatig in Nederland verblijft na afwijzing van de toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet. Hij maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht om continuering van de opvang via een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker niet behoort tot de categorieën die recht hebben op opvang volgens de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva). Het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening schort de rechtsgevolgen van het besluit niet op, waardoor verzoeker geen recht heeft op opvang. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een acute medische noodsituatie die opvang vereist, aangezien medische zorg buiten de opvang mogelijk is.
Verder is geen sprake van gerechtvaardigd vertrouwen dat de opvang zou worden voortgezet tijdens de bezwaarprocedure. Verzoeker werd immers tijdelijk uitstel van vertrek verleend tot 3 augustus 2023, maar na afwijzing van artikel 64 Vw Pro is zijn verblijf niet langer rechtmatig. Ten slotte is geen wettelijke verplichting voor verweerder vastgesteld om voorafgaand aan de beëindiging een voornemen tot beëindiging te communiceren.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tot voortzetting van de opvang wordt afgewezen wegens ontbreken van een acute medische noodsituatie en geen gerechtvaardigd vertrouwen.