ECLI:NL:RBDHA:2023:4809
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning studie wegens onvoldoende studievoortgang
Eiser, houder van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor studie, werd door de Rijksuniversiteit Groningen afgemeld wegens onvoldoende studievoortgang per 1 september 2021. De staatssecretaris trok daarop de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in, omdat eiser niet meer voldeed aan de voorwaarden waaronder de vergunning was verleend.
Eiser voerde aan dat de staatssecretaris ten onrechte niet had afgezien van intrekking en dat bijzondere omstandigheden niet waren meegewogen. De rechtbank oordeelde dat de beoordeling van studievoortgang en bijzondere omstandigheden aan de onderwijsinstelling toekomt, en dat geen aanwijzingen waren dat deze van oordeel was veranderd. Ook het beroep op persoonlijke omstandigheden en de onveilige situatie in Nigeria leidde niet tot een ander oordeel.
Verder stelde eiser dat de intrekking met terugwerkende kracht niet was toegestaan en dat hij ten onrechte niet is gehoord. De rechtbank verwierp deze gronden, verwijzend naar relevante jurisprudentie en het toepasselijke wettelijke kader. Het beroep werd ongegrond verklaard, met afwijzing van teruggaaf griffierecht en proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning studie wordt ongegrond verklaard en de intrekking met terugwerkende kracht per 1 september 2021 bevestigd.