ECLI:NL:RBDHA:2023:20596
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde tussenwoning met bezwaren over waardebepaling en proceskosten
Eiseres, eigenaar van een tussenwoning gebouwd in 1920, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €463.000 voor het jaar 2022, stellende dat de waarde te hoog was en verweerder onvoldoende inzicht had gegeven in de waarderingsgrondslagen.
De rechtbank heeft vastgesteld dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, mede op basis van een waardematrix met vergelijkingsobjecten en een onderbouwde correctie voor kwaliteit en ligging. Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de waarde van €438.000 uit haar taxatierapport juist is.
Wel oordeelt de rechtbank dat verweerder artikel 40 Wet Pro WOZ heeft geschonden door onvoldoende inzicht te geven in de waarderingsfactoren en grondstaffels tijdens de bezwaarprocedure, waardoor eiseres pas in de beroepsprocedure deze gegevens kon inzien. Daarom wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek tot vergoeding van de kosten van het taxatierapport af, omdat het beroep inhoudelijk niet slaagt.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, maar verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten wegens schending van artikel 40 Wet WOZ.