ECLI:NL:GHDHA:2023:1659
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waardering winkelpanden en afwijzing vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-waarderingen van drie winkelpanden voor het kalenderjaar 2020, vastgesteld op basis van de waardepeildatum 1 januari 2019. De Heffingsambtenaar heeft de waardes onderbouwd met waarderapporten, huurwaardekapitalisatiemethoden en vergelijkingsobjecten. De Rechtbank heeft de bezwaren ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schade afgewezen wegens overschrijding van de redelijke termijn.
In hoger beroep heeft belanghebbende aangevoerd dat de waarden te hoog zijn vastgesteld en dat de coronapandemie onvoldoende is meegenomen. Het Hof oordeelt dat de waarderingen voldoen aan het wettelijke waardebegrip en dat de waardepeildatum ligt vóór de coronacrisis, waardoor geen correctie gerechtvaardigd is. Ook de gehanteerde bruto huurwaardekapitalisatiefactor is voldoende onderbouwd.
Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn stelt het Hof vast dat de vertraging grotendeels is toe te rekenen aan het procesgedrag van de gemachtigde van belanghebbende. Er is geen sprake van spanning of frustratie bij belanghebbende die vergoeding rechtvaardigt. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De WOZ-waarden van de winkelpanden zijn niet te hoog vastgesteld en het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.