De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling om bekrachtiging van een schriftelijke aanwijzing gericht op toestemming voor diagnostisch onderzoek en psychomotorische therapie voor een minderjarig kind, alsmede het afgeven van ID-kaarten aan de ouder met gezag waar de kinderen verblijven.
De moeder heeft verweer gevoerd en betoogd dat de schriftelijke aanwijzing niet de juiste procedure is voor het verkrijgen van toestemming voor medische behandeling. De kinderrechter volgt deze lijn en oordeelt dat het verzoek feitelijk ziet op vervangende toestemming voor medische behandeling, waarvoor de procedure van artikel 1:265h BW geldt, die ruimere rechtsbescherming biedt.
De kinderrechter wijst het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing af op formele gronden, maar erkent dat de behandeling en het onderzoek noodzakelijk zijn. De moeder heeft ter zitting alsnog toestemming verleend voor het diagnostisch onderzoek en de therapie. De kinderrechter benadrukt het belang van het gesprek tussen moeder en gecertificeerde instelling over de omgang en het afgeven van de ID-kaarten.
De beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2023 door kinderrechter S.J. Huizenga, met griffier S.L.G. van Otterlo. Tegen deze beslissing staat geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.