ECLI:NL:RBDHA:2023:17694
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming derdelander uit Oekraïne niet onrechtmatig
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Den Haag het beroep van eiser, een Keniaanse derdelander, behandeld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn tijdelijke bescherming te beëindigen per 4 september 2023. De tijdelijke bescherming was verleend op basis van Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 vanwege de massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne.
Eiser had een zienswijze ingediend tegen het voornemen tot beëindiging, maar de rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris bevoegd is om de tijdelijke bescherming te beëindigen voor de betreffende groep, waaronder eiser valt. De rechtbank volgt daarbij de meervoudige kameruitspraak van 30 oktober 2023, waarin werd bevestigd dat de beëindiging niet in strijd is met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en dat een voornemenprocedure zonder individueel gehoor volstaat.
De rechtbank wijst het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding om af te wijken van de eerdere jurisprudentie. Ook de verwijzingen van eiser naar andere uitspraken van deze rechtbank worden niet gevolgd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is openbaar en er is mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming wordt ongegrond verklaard.