ECLI:NL:RBDHA:2023:11281
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinsleden op grond van belangenafweging artikel 8 EVRM
Eiser, een jongvolwassene met een asielvergunning sinds 2018 en Jemenitische nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor zijn moeder en minderjarige broertjes om bij hem in Nederland te verblijven. Verweerder wees deze aanvragen af, waarbij werd geoordeeld dat het belang van de Nederlandse staat zwaarder weegt dan het belang van eiser en zijn familie om het gezinsleven in Nederland voort te zetten.
De rechtbank beoordeelde of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden had betrokken in de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro en of een 'fair balance' was gevonden. Verweerder had onder meer meegewogen dat eiser een uitkering ontvangt, studeert en werkt, en dat de moeder van eiser waarschijnlijk ten laste zal komen van de openbare kas. Ook werd het ontbreken van bijzondere banden tussen eiser en zijn moeder meegewogen.
Ten aanzien van de minderjarige broertjes werd geoordeeld dat er onvoldoende sprake is van hechte persoonlijke banden met eiser, mede omdat zij altijd samen met ouders en zussen woonden. De rechtbank oordeelde dat de belangenafweging van verweerder voldoende gemotiveerd was en dat het beroep ongegrond is verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf voor de moeder en minderjarige broertjes wordt ongegrond verklaard.