ECLI:NL:RBDHA:2023:10052

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juli 2023
Publicatiedatum
11 juli 2023
Zaaknummer
NL23.18594
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 lid 3 Vw
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel bewaring en uitzetting Tunesische vreemdeling

Eiser, een Tunesische vreemdeling, is op 17 mei 2023 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2023 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet aanwezig waren.

De rechtbank heeft eerder op 8 juni 2023 geoordeeld dat de maatregel tot dat moment rechtmatig was. De beoordeling richt zich nu op de periode na 2 juni 2023. Eiser stelde dat er tussen 19 mei en 15 juni 2023 geen uitzettingshandelingen waren verricht en dat verweerder onvoldoende voortvarend zou hebben gehandeld, onder meer omdat er geen rappels aan Tunesische autoriteiten waren verzonden.

Verweerder stelde dat op 8 juni 2023 schriftelijk is gerappelleerd op de laissez passer-aanvraag en dat er op 5 en 15 juli 2023 vertrekgesprekken met eiser zijn gevoerd. De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende voortvarend handelt en dat er een reëel zicht op uitzetting bestaat, mede omdat Tunesië in het algemeen lp’s verstrekt en eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.18594

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Tunesische nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Weerman).

Procesverloop

Verweerder heeft op 17 mei 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 8 juni 2023 (in de zaak NL23.15444) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 2 juni 2023 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Eiser voert aan dat er tussen 19 mei 2023 en 15 juni 2023 geen uitzettingshandelingen zijn verricht, wat betekent dat het dossier bijna vier weken heeft stilgelegen. Daarnaast heeft verweerder tot op heden geen rappels aan de Tunesische overheid gezonden, zodat verweerder volgens eiser onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voldoende voortvarend aan de uitzetting wordt gewerkt. Uit de M120 volgt dat op 8 juni 2023 schriftelijk is gerappelleerd op de laissez passer (lp)-aanvraag. Verweerder is afhankelijk van de Tunesische autoriteiten voor de afgifte van een lp. Verder is op 5 juli 2023 nog een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Ook bestaat volgens verweerder een reëel zicht op uitzetting, omdat er lp’s worden verstrekt en vreemdelingen worden uitgezet.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting werkt en dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. Verweerder heeft sinds het sluiten van het onderzoek op 8 juni 2023 schriftelijk gerappelleerd op de lp-aanvraag en op 15 juni 2023 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat op 5 juli 2023 nogmaals een vertrekgesprek met eiser is gevoerd. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend. Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er verder geen aanknopingspunten dat Tunesië in het algemeen weigert lp’s te verstrekken, of dat voor eiser in het bijzonder geen lp zal worden afgegeven, waardoor het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn kan worden aangenomen. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat hij voor de afgifte van een lp afhankelijk is van de Tunesische autoriteiten. Verder blijkt uit het vertrekgesprek dat eiser niet meewerkt, nu hij heeft aangegeven dat hij geen zelfstandige actie heeft ondernomen in het kader van terugkeer. Zoals volgt uit de Afdelingsuitspraken van 13 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:85) en van 2 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2210) mag van eiser worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan zijn uitzetting. Nu eiser zijn uitzetting belemmert is daarmee in beginsel het zicht op uitzetting al gegeven. Het komt voor rekening en risico van eiser dat de bewaring voortduurt, omdat hij niet aan zijn meewerkplicht voldoet. Eiser kan de duur van de bewaring verkorten door volledig mee te werken.
6. De rechtbank ziet, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7 Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Boxum, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.