De werknemer trad in mei 2017 in dienst bij de Federale Republiek Brazilië te Den Haag als chauffeur. In december 2019 werd hem mondeling en schriftelijk medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst zou worden ontbonden. De werknemer meldde zich ziek en werd volledig arbeidsongeschikt verklaard. Brazilië verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar dit verzoek werd door de kantonrechter en het gerechtshof afgewezen. Desondanks zegde Brazilië de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2021 op, zonder schriftelijke instemming van de werknemer en zonder toestemming van het UWV, terwijl een opzegverbod wegens ziekte gold.
De werknemer verzocht de kantonrechter om een billijke vergoeding, vergoeding wegens onregelmatige opzegging en transitievergoeding toe te kennen en stelde dat Brazilië geen beroep kon doen op immuniteit van rechtsmacht en executie. Brazilië verscheen niet in de procedure en gaf geen verweer. De kantonrechter stelde vast dat er geen immuniteit van rechtsmacht geldt omdat het arbeidsrechtelijke verhoudingen betreft en de werknemer zijn werkzaamheden in Nederland verrichtte. De opzegging door Brazilië werd als onregelmatig en in strijd met het opzegverbod wegens ziekte beoordeeld.
De kantonrechter kende de gevraagde vergoedingen toe: een billijke vergoeding van €57.184,71 bruto, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van €2.260,20 bruto en een transitievergoeding van €3.112,92 bruto. Een punitief element werd niet toegekend omdat de vergoeding passend was. De immuniteit van executie werd bevestigd, waardoor Brazilië niet kan worden gedwongen tot betaling. Brazilië werd veroordeeld in de proceskosten van €583. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.