ECLI:NL:RBDHA:2022:6632

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2022
Publicatiedatum
7 juli 2022
Zaaknummer
22_2199
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 31 PwArt. 32 PwArt. 54 lid 3 PwArt. 475b lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens op geld waardeerbare arbeid

Verzoekers hebben een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om hun bijstandsuitkering met ingang van 4 augustus 2021 in te trekken en terug te vorderen wegens het verrichten van op geld waardeerbare arbeid.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang bij de intrekking van de uitkering, maar niet bij de terugvordering. Uit het onderzoek van de afdeling Handhaving en Fraude blijkt dat verzoeker gedurende de periode van augustus tot november 2021 werkzaamheden verrichtte bij het bedrijf van een vriend, waaronder het openen van het pand, het uitschakelen van het alarm en het verplaatsen van materialen.

Verzoekers hebben de inlichtingenplicht geschonden door deze werkzaamheden niet te melden, waardoor het college terecht het recht op bijstand heeft ingetrokken. De voorzieningenrechter verwacht dat dit besluit in bezwaar stand zal houden en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen intrekking van de bijstandsuitkering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/2199
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juni 2022 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker, en [verzoekster], verzoekster, uit [woonplaats],

hierna gezamenlijk: verzoekers,
(gemachtigde: mr. S. Seker).
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: A. Bogaards).

Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2022 (bestreden besluit I) heeft verweerder de uitkering van verzoekers op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 4 augustus 2021 beëindigd, de over de periode van 8 maart 2019 tot en met 28 februari 2022 toegekend Pw-uitkering ingetrokken en van verzoekers een bedrag van € 11.942,88 teruggevorderd.
Bij besluit van 18 maart 2022 (bestreden besluit II) heeft verweerder het terugvorderingsbedrag verhoogd met de daarover afgedragen loonbelasting en premies volksverzekeringen (gebruteerd) tot een bedrag van € 13.310,55.
Verzoekers hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 31 mei 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1 Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.1
Voordat kan worden overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening, moet worden beoordeeld of sprake is van een spoedeisend belang, als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In een geval als dat van verzoeker kan dat zo zijn wanneer sprake is van een (financiële) noodsituatie, welke het voor hem onevenredig bezwaarlijk maakt dat hij de beslissing in de hoofdzaak af moet wachten.
2.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat aannemelijk is dat de financiële situatie van verzoeker zodanig is dat er sprake is van spoedeisend belang bij de intrekking van zijn bijstandsuitkering. Ten aanzien van de terugvordering en brutering bestaat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang. Niet is gebleken dat verweerder al tot invordering van het teruggevorderde bedrag is overgegaan. Ook is het zo dat verzoekers met verweerder een betalingsregeling kunnen treffen. Bovendien, mocht het tot dwanginvordering komen, dan geldt de bescherming van de beslagvrije voet van artikel 475b, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
3. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Aan verzoekers is met ingang van 12 juli 2018 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor gehuwden. Naar aanleiding van een op 31 mei 2021 ontvangen anonieme melding dat verzoeker elke dag tussen 09.30 en 17.00 uur werkt als vermoedelijk goederenvervoerder, dat hij veel weg is en in een blauw busje rijdt, is de afdeling Handhaving en Fraude van verweerder een onderzoek gestart naar het recht op bijstand van verzoekers. In dat kader heeft verweerder onder meer een administratief onderzoek en waarnemingen bij het bedrijf [bedrijf] verricht. Verder zijn verzoekers gehoord op 14 december 2021. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in een frauderapport van 14 maart 2022. De bevindingen van dit rapport hebben geleid tot de bestreden besluiten.
4. In deze procedure ligt uitsluitend de vraag voor of verweerder terecht de bijstandsuitkering van verzoeker met ingang van 4 augustus 2021 heeft ingetrokken op de grond dat verzoeker op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht bij [bedrijf].
5. Verzoekers voeren aan dat verzoeker inderdaad aanwezig is geweest bij [bedrijf]. De eigenaar van dit bedrijf is een vriend van verzoeker en verzoeker kent hem al een lange tijd. De door verweerder vermelde beschrijvingen van de werkzaamheden die verzoeker aldaar zou hebben verricht zijn volgens verzoeker echter te onduidelijk en onvoldoende concreet om te kunnen spreken van op geld waardeerbare arbeid. Naar de mening van verzoekers had het op de weg van verweerder gelegen om hier nader onderzoek te doen.
6.1.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
6.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), waaronder de uitspraak van 23 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:263, is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Van betekenis is in dit verband dat voor de verlening van bijstand, gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de Pw, niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken.
6.3.
Uit de uitspraken van de CRvB van 22 maart 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1005) en 25 april 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2086) volgt dat sprake is van op geld waardeerbare arbeid indien de aard, de omvang, de duur en het structurele karakter van bepaalde activiteiten daartoe aanleiding geven.
6.4.
Uit het dossier is de voorzieningenrechter gebleken dat medewerkers van de afdeling Handhaving en Fraude over de periode van 4 augustus 2021 tot en met 25 november 2021 waarnemingen hebben verricht bij [bedrijf]. In deze periode is gezien dat de auto van verzoeker vaak geparkeerd stond bij het pand van [bedrijf]. Voorts is waargenomen dat verzoeker op 4 augustus 2021 met plastic afval in zijn hand door het magazijn liep en dat ook dat in oktober 2021 en november 2021 diverse malen is gezien dat verzoeker in het pand aanwezig was en daarbij werkzaamheden verrichtte. Zo is geconstateerd dat verzoeker zich in het pand verplaatste per step, dat hij met iets bezig was in de loods en ook dat hij bezig was met iets dat op verpakkingsmateriaal leek. Ook is geconstateerd dat verzoeker meerdere keren het pand met sleutels opende en ook dat hij het alarm uitschakelde. Voorts heeft verzoeker bij het gesprek op 14 december 2021 met de consulent Handhaving en Fraude verklaard dat hij af en toe een zak droeg of iets weghaalde.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bieden voormelde bevindingen in onderlinge samenhang bezien een toereikende grondslag voor het standpunt van verweerder dat verzoeker vanaf 4 augustus 2021 op geld waardeerbare arbeid heeft verricht bij [bedrijf].
6.5.
Door verweerder niet te informeren over de werkzaamheden van verzoeker, hebben verzoekers de op hen rustende inlichtingenplicht geschonden. Als gevolg hiervan kan niet worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre verzoekers -ook niet schattenderwijs- vanaf 4 augustus 2021 recht op bijstand hebben. Verweerder was daarom op grond van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet gehouden het recht op bijstand van verzoekers vanaf die datum in te trekken.
7. De voorzieningenrechter verwacht dat in bezwaar de intrekking van de bijstand per 4 augustus 2021 in rechte stand zal houden. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
10 juni 2022.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.