ECLI:NL:RBDHA:2022:564
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Smartengeldvergoeding agent kwalificeert als loon en is niet vrijgesteld van loonheffing
Agent Y liep tijdens een landelijke oefening een blijvende invaliditeit van 35% aan zijn ringvinger op. De werkgever, Nationale Politie, kwalificeerde dit ongeval als een dienstongeval en keerde in december 2019 een smartengeldvergoeding van € 8.738,10 uit. Deze vergoeding werd gebruteerd en er werd loonheffing over afgedragen.
De kern van het geschil betrof de vraag of deze smartengeldvergoeding als loon in de zin van artikel 10 van Pro de Wet LB moet worden aangemerkt en of deze vrijgesteld kan zijn van loonheffing op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel k, van de Wet LB. De werkgever stelde dat de vergoeding ten onrechte in de loonheffing was betrokken, terwijl de Belastingdienst dit juist betwistte.
De rechtbank oordeelde dat de vergoeding haar grond zozeer vindt in de vervulde dienstbetrekking dat deze als loon moet worden beschouwd. Dit volgt uit de rechtspositionele regeling (het BARP) die de aanspraak op smartengeld regelt. De rechtbank verwierp de stelling dat de vergoeding voortvloeit uit de publieke taak van de politie of dat deze niet in de hoedanigheid van werkgever is uitgekeerd.
Ook de vrijstelling op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel k, Wet LB is niet van toepassing omdat de vergoeding niet ziet op schade aan of verlies van persoonlijke zaken. De rechtbank verklaarde het beroep van de werkgever ongegrond en bevestigde dat de loonheffing terecht is afgedragen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de smartengeldvergoeding als loon geldt en loonheffing terecht is afgedragen.