ECLI:NL:RBDHA:2022:3386
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen vermogensrendementsheffing 2016 wegens ontbreken individuele en buitensporige last
Eiseres maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2016, met name tegen de vermogensrendementsheffing in box 3. Zij stelde dat deze heffing een individuele en buitensporige last voor haar vormde, in strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.
De rechtbank oordeelde dat, hoewel op stelselniveau de box 3-heffing mogelijk een zware last kan vormen, dit niet automatisch geldt voor individuele belastingplichtigen. De bewijslast rustte op eiseres om aannemelijk te maken dat zij in vergelijking met anderen een bijzondere last ondervond. Gelet op haar financiële situatie en inkomen werd dit niet aannemelijk gemaakt.
De rechtbank verwees naar recente jurisprudentie over 2017, waarin een wijziging in de heffing leidde tot rechterlijk ingrijpen, maar stelde dat deze jurisprudentie niet van toepassing is op 2016. Daarom bleef de oude rechtspraak van toepassing, die geen individuele buitensporige last voor eiseres aannam.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter A.D. van Riel op 6 april 2022. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het beroep tegen de vermogensrendementsheffing 2016 wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van een individuele en buitensporige last.