ECLI:NL:RBDHA:2022:2703
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting naar Italië wegens interstatelijk vertrouwensbeginsel
Verzoeker, een Nigeriaanse vreemdeling, maakte bezwaar tegen zijn geplande uitzetting naar Italië op 1 februari 2022 en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de uitzetting te verbieden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het bezwaar alleen kans van slagen heeft indien nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die de rechtmatigheid van de uitzetting aantasten. Verzoeker stelde dat zijn medische situatie, waaronder suïcidale uitingen, en de omstandigheden in Italië een schending van artikel 3 EVRM Pro zouden opleveren.
De rechter stelde vast dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij wordt aangenomen dat Italië de internationale verplichtingen naleeft. Ook werd bevestigd dat de uitzetting onder medische begeleiding en extra zorgmaatregelen zal plaatsvinden. Er waren geen nieuwe feiten die de rechtmatigheid van de uitzetting aantasten.
Daarom weegt het belang van de overheid om tot uitzetting over te gaan zwaarder dan het belang van verzoeker om het bezwaar af te wachten. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen en er is geen recht op proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting naar Italië is afgewezen vanwege het ontbreken van nieuwe relevante feiten en het geldende interstatelijk vertrouwensbeginsel.