Eiseres verzocht op 16 september 2021 de Nederlandse ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie om haar en haar familie op de evacuatielijst te plaatsen of een proces te starten voor het verkrijgen van een visum om naar Nederland te reizen. Na het uitblijven van een besluit stelde zij de Staat in gebreke en diende op 29 november 2021 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Op 30 november 2021 reageerde het ministerie van Defensie met een brief waarin werd medegedeeld dat eiseres niet onder de evacuatielijst valt.
De rechtbank stelde ambtshalve de vraag of deze brief een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is of een handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet (Vw). De rechtbank oordeelde dat de brief geen besluit is omdat er geen wettelijke bevoegdheid bestaat voor evacuatie vanuit Afghanistan, een soevereine staat, en dat evacuatie een uitoefening van rechtsmacht buiten het Nederlandse grondgebied betreft. Politiek-bestuurlijke standpunten zoals de motie Belhaj en tolkenregelingen vormen geen wettelijke grondslag voor evacuatie.
Verder stelde de rechtbank dat het handelen of nalaten van verweerders niet valt onder artikel 72, derde lid, Vw, omdat het niet plaatsvindt in de hoedanigheid van vreemdeling maar bijvoorbeeld als werknemer van de ambassade. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit en tegen de brief van 30 november 2021 niet-ontvankelijk en kwam zij niet toe aan inhoudelijke beoordeling.